zaterdag 19 december 2015

Gewoontedieren




Er is iets vreemds aan de hand, denkt mijn boer, als hij in de stal komt. De verzamelruimte voor inseminatie staat vol koeien en ze zijn allemaal erg onrustig. Er gaat een geloei op zodra ze hem zien. Als hij even later in zijn kantoortje zit en in de computer naar de koegegevens kijkt, ziet hij tientallen rode lichtjes knipperen. Hier klopt ook iets niet. Er zal toch niet weer iets met de stappentellers zijn?

Stappentellers? 

Ja, onze koeien dragen allemaal een stappenteller om hun poot. Deze geeft aan de computer door, hoeveel stappen iedere koe per dag zet. Boven een bepaalde grens wordt dat zichtbaar op het computerscherm.

Misschien denk je dat dat een teken is, dat een koe op dieet moet, maar nee. Het betekent dat ze tochtig is. In gewone mensentaal: zin in seks heeft. En dat is weer een verheugend feit, want dan kan ze bevrucht worden en een kalfje krijgen. Zoals u weet zijn kalfjes nodig om de melkproductie van een koe op gang te krijgen. Zonder kalfjes geen melk.

Een koe kan bevrucht worden door kunstmatige inseminatie, dat doet mijn boer met een rietje sperma,  of door een stier. Dat laatste is heel ouderwets. We hebben nogal wat koeien, dus het zou erg tijdrovend zijn de tochtige koeien er steeds uit te halen, ware het niet dat ook hier de automatisering een handje helpt.

In onze ligboxstal zitten overal klapdeurtjes en die gaan open, of blijven dicht, naargelang de computer daar opdracht toe geeft. Als de computer een tochtige koe registreert, wordt deze koe automatisch geselecteerd, doordat het klapdeurtje naar een, voor de anderen afgesloten gedeelte van de stal, opengaat.

Mijn boer loopt weer terug naar de stal en observeert de koeien nog eens. Het drinkwatersysteem werkte gisteren niet goed. Dat is heel vervelend, want een melk producerende koe drinkt al gauw honderd liter water per dag. Hij had daarom meteen, als tijdelijke oplossing, waterbakken uit het weiland, in de stal neergezet.

Nu ziet hij dat ze daar nauwelijks uit drinken. Ze lopen maar van bal naar bak, in de hoop dat daar water in zal stromen, zoals het hoort. Al die onrust registreert de stappenteller en daardoor worden zoveel koeien als tochtig aangemerkt. Aha! De extra stappen hebben deze keer dus niets met opspelende hormonen te maken. Zo slim is die computer dus ook weer niet.

Koeien zijn ontzettende gewoontedieren.

Nog een voorbeeld: onze melker houdt van muziek bij zijn werk. De eerste keer toen er popmuziek uit de melkstal schalde, wilden de koeien er niet in. Ze vertrouwden die herrie niet. Nu willen ze niet gemolken worden, als ze er geen muziek klinkt.

Mensen zijn ook gewoontedieren. Misschien niet zo erg als koeien, maar toch.

Neem nou mijn boer: hij wil zijn eetpatroon veranderen en dat is lastig. Vorige week waren we bij een bouwmarkt en daar lagen stappentellers voor vijf euro per stuk. Een koopje, want een stappenteller voor een koe kost al gauw vijftien keer zo veel. Er bestaan internetsites waarop staat hoeveel calorieën je nodig hebt, in relatie tot het aantal stappen dat je op een dag zet. Zo kun je je eetpatroon verantwoord aanpassen. Mijn boer schafte er meteen één aan.


Gisteravond meldde hij trots dat hij achttienduizend stappen had gezet. Dat is best veel, maar het had niet tot gevolg, dat er automatisch een deurtje voor hem open ging.

Groentje

donderdag 26 november 2015

Sterke Jelle



Het kalfje heeft bij de moeder gedronken. Heel gewoon, zal je denken, maar dat is het niet. Kalfjes worden zo snel mogelijk bij de koe weggehaald en in een iglo ondergebracht. Een iglo is overigens geen ijzige behuizing, maar een klein, wit hokje gevuld met stro. Precies goed voor één kalfje. Kalveren vinden het prettig zich onder een dak terug te kunnen trekken.

Ze vinden het waarschijnlijk minder prettig zonder moeder te zijn, maar dat weten we niet zeker: met het alternatief hebben ze immers geen ervaring. De moeder heeft zich nog niet aan het kalf kunnen hechten en mist het niet. Maar ook dat blijft natuurlijk gissen.

‘Kan dat niet anders?’ vroeg ik aan mijn boer, toen ik deze praktijk voor het eerst meemaakte.
‘Nee, het is niet te doen kalveren tussen de koeien te laten lopen. Ze lopen in de weg, bijvoorbeeld als je wilt melken en ze drinken de melk die wij willen verkopen. Bovendien kunnen de koeien en kalveren elkaar met allerlei ziektes besmetten. Als je ze apart zet, heb je dat risico niet.’
‘Ik vind het zielig.’
‘Sommige boeren, en dat zijn er heel weinig, halen kalveren pas na een paar dagen bij de moeder weg. Dat is ook zielig, want dan zijn ze aan elkaar gehecht.’

Dit kalf, ik noem hem Jelle, protesteert met luid gebald, als mijn boer hem in een kruiwagen zet en naar zijn iglo rijdt. Hij wil er ook niet in en worstelt met verbazingwekkend veel kracht. Mijn boer doet voor de zekerheid een touw om de iglo.

Een uurtje later: waar is Jelle? Nergens te vinden. Hoe is het mogelijk! Mijn boer zoekt tevergeefs, maar als hij achter de stal loopt, ziet hij iets in de sloot. Het is het zwart-witte kopje van de jonge Houdini. Mijn boer trekt hem uit de sloot en brengt hem weer naar zijn iglo. Daar wrijft hij het beestje droog met wat stro. Nou heeft Jelle niet zoveel praatjes meer. Hij moet even bijkomen van zijn avontuur.

Aan tafel vertelt mijn boer over Jelle. Sterke Jelle. ‘Het zou toch mooi zijn als we een manier konden vinden, waarop kalveren wel bij de koe kunnen drinken,’ peinst hij luid op, ‘ze worden er wel sterk van.’

Nu krijgen kalveren de eerste drie dagen biest uit een fles. Biest is de melk die koeien drie dagen produceren, nadat ze gekalfd hebben. Het is een gele, romige vloeistof, boordevol voeding en antistoffen. Zonder biest geen gezonde kalveren. Na drie dagen krijgen ze melk gemaakt van poeder aangelengd met water. Dit poeder is goedkoper dan de melk van onze koeien, vandaar.

Kalveren die gewend zijn bij de moeder te drinken, vinden het later moeilijk aan een plastic speen te zuigen. Het is een heel gedoe ze dat te leren. Gelukkig is Sterke Jelle een uitzondering. Krachtig drinkt hij zijn buikje vol.

Het is jammer dat hij een stiertje is, want nu mag hij niet blijven. Hij zal immers nooit melk geven en van fokstieren heb je er maar weinig nodig. Als de veekoopman komt, wordt hij meegenomen naar een kalvermesterij. Hier worden stierkalfjes gemest voor een overwegend Zuid-Europese markt. De kans is groot dat onze Sterke Jelle eindigt als Italiaanse delicatesse.

Ik hoop maar dat hij met smaak wordt opgegeten.

Groentje


woensdag 4 november 2015

De Ledenvergadering



Boeren verkopen hun melk niet zelf aan de supermarkt. Dat doet de coöperatie voor hen. Bijna alle melkveehouders zijn er bij één aangesloten. Ze hebben daarbij een flinke vinger in de pap, want zij zijn immers de eigenaren. Mijn boer oefent zijn invloed zelfs uit als districtsraadslid. Reden genoeg voor mij, om eens een kijkje te nemen bij een ledenvergadering.

Hij is meteen druk in gesprek, dus ik kies een willekeurig tafeltje. Tussen de koffiekopjes staat een vlaggetje met het logo van de melkcoöperatie er op. De zaal stroomt vol. Ik zie voornamelijk mannen en ze lijken elkaar allemaal te kennen. Spijkerbroeken met ruitjesoverhemden voeren de boventoon. Even vraag ik me af waarom mijn boer een colbertjasje draagt, maar dan zie ik dat alle bestuurders die dragen. Ook hier bestaat een rangorde.

Er komt er een oudere dame binnen. Ze kijkt zoekend rond. Zodra ze mij in het vizier krijgt, stevent ze op me af. Omdat ik een vrouw ben, vermoed ik.

Waarom ik aan deze vergadering deelneem, wil ze weten.
‘Ik ben zelf geen lid,’ zeg ik. ‘Maar de coöperatie is erg belangrijk voor mijn vriend.' En ik knik naar mijn boer.
Woon ik op de boerderij, is de volgende vraag. We wisselen personalia uit en zoeken net zolang, totdat we een link met elkaar gevonden hebben. Haar broer blijkt getrouwd met een vrouw, die weer de zus is van een vriend van ons. Voilà, de basis voor vertrouwelijkheid is gelegd.
‘Mijn man kon vanavond niet komen en daarom ben ik er,’ legt ze uit.

Dan is het tijd voor een promotiefilm. De beelden proberen een verband te leggen tussen ons, in dit dorpshuis  te Tytsjerksteradiel en de wijde wereld. We zien glimlachende Chinezen met dikke kleuters aan de hand en gelukkige Afrikaanse gezinnen. Hun glanzende kindjes hebben witte snorren van de melk. Steeds zoeft de camera, begeleid met een opzwepend muziekje, over de globe, naar weer een ander continent. Overal zijn ze blij met ons prachtige product.

De sfeer in de zaal verandert. We zwellen van trots. Wij leveren een bijdrage aan de gezondheid van de wereldbevolking, aan de oplossing van het voedselvraagstuk! Ik heb hierbij wel een aantal bedenkingen, maar om de pret niet te bederven, houd ik die voor me.

Van de trotse, brede blik op de wereld blijft helaas weinig over, als we het tweede agendapunt behandelen. De coöperatie stelt voor alle kalveren binnen 24 uur, verplicht te blikken.

Dat betekent dat het kalf dan al, zo’n geel plastic kaartje met een identiteitsnummer er op,  in het oor moet krijgen. Achterliggende gedachte is, dat de boeren zo minder kunnen sjoemelen. Dat doen ze nu blijkbaar, om kalveren wat groter te kunnen verkopen. Grotere kalveren brengen namelijk meer op. Soms is het echter weer lonend om zwakke diertjes eerder van de hand te kunnen doen. Deze speelruimte staat nu op het spel.

Er ontstaat een verhitte discussie met veel gegrom en rode hoofden. Uiteindelijk besluit de voorzitter aan het bestuur terug te koppelen dat er in dit district ‘ernstige bezwaren leven, met betrekking tot deze voorgenomen maatregel.’

De toon is echter gezet en het wordt pas weer gezellig als er bier met broodjes beenham, wordt geserveerd.

‘Wat een ellende dat er overal regeltjes voor moeten worden bedacht,’ moppert mijn boer als we door de nacht naar huis rijden, ´De hele avond is verspild aan bureaucratisch gezeur. Waarom kunnen de meeste mensen niet verder denken dan hun neus lang is?´
‘Tsja, ze denken eerst aan hun eigen belang. Het is welbeschouwd een wonder dat er coöperaties bestaan,’ probeer ik te relativeren.

Dan klinkt Queen uit de radio en om ons af te reageren, zingen we luidkeels mee:

I want it all,
I want it all
and I want it now!


Groentje



vrijdag 16 oktober 2015

Koe in de Sloot


Er staat een onbekende mevrouw voor het raam. Ze is verlegen met de situatie, omdat ze nergens aan kan bellen. Ik gebaar naar links, om de deur aan te geven, waardoor bij ons iedereen naar binnen loopt.

Toen ik hier net woonde, vond ik het lastig, dat je bij boeren altijd ‘achterom’ moet. Als je eindelijk de juiste deur gevonden hebt, is het de bedoeling dat je flink stommelt, iets roept of aanklopt, of dat allemaal tegelijk. Ik houd het meestal op een krachtig: ‘Volluk’.

Deze mevrouw is geen type om ‘Volluk’ te roepen, dus ik leg het groente mes neer en loop naar de deur.
‘Goedemiddag,’ begroet ik haar.
‘Uh, goedemiddag. Er zit een koe in de sloot.’ Ze kijkt me met grote ogen aan. ‘Daar waar de kleine sloot uitkomt in de grote sloot. Vlak bij het molentje. Ik dacht, ik zeg het maar even. Wie weet hoe lang ze er al in zit. Het beest kijkt erg angstig.’
‘Wij zullen haar er zo snel mogelijk uithalen mevrouw. Maar weest u niet bezorgd: koeien verdrinken niet zomaar en het water is niet koud.’
‘Nou ja, maar ze kan er niet in blijven, dus ik dacht, ik zeg het maar even.’
‘Natuurlijk. En dat is erg vriendelijk van u. Hartelijk bedankt.’

Deze scene komt, zolang de koeien buiten lopen, in verschillende variaties, bijna dagelijks voor. Vooral in de lente. Dan zijn de dieren nog niet zo gewend aan het drinken uit de sloot en tuimelen ze er geregeld in. Onze buurman heeft wel eens een bord in de tuin gezet, met het opschrift: ‘koeien kunnen zwemmen.‘ Hij had genoeg van al die bezorgde mensen aan de deur.

Ik waardeer de betrokkenheid van deze koeienredders wel. Al zijn er uitwassen. Wij wonen aan het spoor en mensen zien vanuit de trein ook wel eens een koe in de sloot. Via Google traceren ze vervolgens ons telefoonnummer en bellen ons. De wat luiere treinpassagiers bellen de politie, of zelfs 112. Dat is vervelend, want ik vrees altijd het ergste, als er plotseling een agent op de stoep staat.

Wat je dan moet doen bij een koe te water?
Niets.

Boeren lopen, wanneer ze de koeien ophalen voor het melken, alle sloten na. Wanneer er dan een koe in zit, trekken ze die er met de tractor uit. De koe gaat vervolgens gewoon verder met haar leven.
Als ik weer groente sta te hakken, komt mijn boer thuis.

‘Over een half uurtje kunnen we eten,’ zeg ik.
‘Liever wat later,’ reageert hij, ‘Ik moet nog even vissen.’ (privé-jargon voor koeien uit de sloot halen.)
‘Bij het molentje,’ vul ik aan.
‘Ja, inderdaad.’
Koeienredder aan de deur gehad?’
‘Jep.’





Groentje




maandag 12 oktober 2015

Bittere andijvie



Toen mijn boer en ik nog een latrelatie hadden, belde hij me wel eens om advies over het eten. Hij kende nog niet zoveel recepten. Op een keer vroeg ik hoe de andijvie gelukt was.

‘Niet zo best,’ antwoordde hij.
‘Wat was er mis mee dan?’
‘Het smaakte raar. Zo bitter.’
Hier moest ik even over nadenken. Bittere andijvie. Logisch toch?
‘Maar andijvie smaakt bitter. Dat hoort zo.’
‘O?’

Mijn boer was gewend aan de keuken van Knorr. Een zakje poeder erover en hup, je hebt iets op tafel wat iedereen lust. Bitter en zuur komen niet voor in het smakenpalet van deze firma. Ik verbaasde me over het feit dat een boer niet wist, dat andijvie bitter hoort te zijn. Iemand die zo dicht bij de natuur staat!

Maar wat wil je. Mijn boer rijdt op een Massey Ferguson van 170 pk, in plaats van dat hij met zijn handen in de aarde wroet. En hij aait de koeien nooit, kent de meeste ook niet bij naam. Ze worden goed verzorgd, maar als ze te weinig melk geven, gaan ze naar de slager. Dat laatste vind ik overigens heel natuurlijk. In de natuur is een dier ook zo weg, als het niet meer fit is.

En wat dat aaien betreft: wist je dat je door aaien je onderdanigheid toont? Een koe, kuddedier bij uitstek, kan daardoor gaan denken, dat ze hoger op de sociale ladder staat dan jij. Ze zal je omver stoten, als je niet uitkijkt. Waar ik maar mee wil zeggen, dat je een koe vooral niet moet vermenselijken.

Het succes van Boer zoekt Vrouw wordt toegeschreven aan het moderne verlangen naar authenticiteit. Vriendinnen verzuchten dat het lezen van dit blog, hun zo lekker ont strest, na een drukke dag op kantoor.

Dat ervaar ik aan de ene kant als een compliment, maar aan de andere kant voelt het ook als een ontkenning van mijn dagelijkse realiteit. Het gaat er binnen ons bedrijf namelijk soms erg hectisch aan toe. En het is een onderneming, die geld op moet leveren. Dat levert helaas weinig romantische taferelen op.

Vorige week liet ik de boerderij aan een vriendin van me zien.

‘Je mag wel even naar binnen,’ zei ik, toen we op de drempel van de melkstal stonden.
Een zware, dierlijke geur van vette melk, gemengd met stront, wasemde ons tegemoet. De melker was druk in de weer om de uiers van de koeien schoon te poetsen. Aan iedere kant van de melkstal stonden 26 koeien te wachten en twee van hun moesten poepen. De stront spetterde alle kanten op. De melker was een Pool, maar leek wel een indiaan, met bruine vegen in zijn gezicht. Mijn vriendin week achteruit.
‘Nee, dat hoeft niet,’ zei ze, terwijl ze de neiging haar neus op te halen nog net kon bedwingen.

Toen gingen we maar een aperitiefje drinken. Mijn boer was in de keuken bezig met de avondmaaltijd.
‘Wat eten we?’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Een aardappel andijvie schotel, bereid met verse, biologische groenten en een mals sukadelapje van de stier die ik vorige week heb laten slachten. Hoe lijkt de dames dat?’


Wij hebben er het glas op geheven. En vooral deze dame, vond het heel romantisch.


Groentje




dinsdag 22 september 2015

Mevrouw de Koe


‘Hij moet nog gemolken worden, hij heeft een uierontsteking en hij moet bijna kalven.’
Waar gaat dit over? Over een koe of een stier? Verward kijk ik naar mijn boer.

In de Nederlandse taal wordt er, in geval van twijfel, of bij een overmacht van het mannelijke, meestal gekozen voor hij. Maar dat is hier niet aan de orde.  We hebben maar een paar stieren en heel veel koeien. Bovendien, als er één beest overduidelijk vrouwelijk is, is dat een melkkoe.

Zij heeft een geprononceerde borstpartij: de uier. Zij geeft melk, zoals alleen zoogdieren van het vrouwelijke geslacht dat kunnen en zij heeft een vruchtbaarheidscyclus waar de hele bedrijfsvoering van een melkveehouderij op gebaseerd is.

Mijn boer weet alles van hormonen en ziet aan een koe waar ze zit in haar cyclus. Bij een bevalling treedt hij op als een volleerd gynaecoloog. Gisteren kwam er bij de geboorte van een kalf een hele baarmoeder mee naar buiten. Mijn boer duwde het orgaan weer keurig op haar plek en gaf een spuit oxytocine toe.

‘En hij is weer in orde,’ verklaart hij nu bij de koffie.
‘Zij, ´ verbeter ik.
´Hij, zij, wat maakt dat nu uit,´ reageert hij.
´Je hebt het over een dier van het vrouwelijke geslacht. Waarom zou je dat een hij noemen. En je ontkent daarmee  iets van het wezen van de koe.´
´Pfff… Is er koek?´
Ik schuif hem een pak stroopwafels toe  en denk na over mijn punt.

Alle boeren die ik ken, praten zo. Ligt het aan mijn affiniteit met taal, dat ik het belangrijk vind om een koe een zij te noemen? Dat is het niet alleen. Met zorgvuldig taalgebruik druk je ook respect uit. Vind ik.

‘Volluk!’
De veehandelaar komt binnen en vraagt of hij een bepaalde koe mee kan nemen.
‘Ja, dat ding staat al lang klaar. Kun je zo meenemen.’
Pardon. Dat ding?
Ik slik en vraag de handelaar of hij ook koffie wil.
‘Ja graag.’

Ik schenk de koffie, want ik ben het vrouwtje hier. Dat wordt door niemand ook maar een moment vergeten of ontkend. Het boerenbedrijf is ontzettend rolbevestigend. De mannen werken hard en daarom verwachten ze in huis bediend te worden. Maar terug naar de koeien. Of de stieren.

Stel dat ik zou zeggen:
‘Die stier is niet zo fit. Volgens mij heeft ze last van haar ballen.’
Iedere boer zou me smakelijk uitlachen.

Na de koffie ga ik even bij de koeien kijken. Ze hebben een nieuw stuk weiland gekregen, met nog volop lang en lekker gras. De hele kudde staat enthousiast te grazen. Hun tongen pakken steeds een polletje gras en scheuren dat los: ‘grsj grsj grsj.’ Ze zien me wel, maar gaan onverstoorbaar door. Zo nu en dan klinkt het geklater van een plas. 
Zo plassen alleen vrouwen, denk ik met een glimlach.

‘Dag dames!’ roep ik en loop terug naar de boerderij.


Groentje



zaterdag 29 augustus 2015

Zwanenborst


Heb jij wel eens zwanenborst gegeten? Spreekt het idee je aan?

Ik ben niet kinderachtig als het gaat om het eten van wild, maar als ik een zwaan zie, borrelen er geen recepten bij me op.

 Vanmorgen ook niet. Ik deed de achterdeur van de landcruiser open en zag een groot wit iets liggen, tussen de gereedschapskist en een oranje rol schrikdraad in. Pas na enkele seconden realiseerde ik me wat ik zag: een zwaan.

‘Die heb ik in het weiland gevonden. Hij is nog maar net dood, want hij voelde nog warm aan,’ verklaarde mijn boer. ‘Ik denk dat hij tegen de hoogspanningskabels is gevlogen. Hij ziet er gezond uit en is niet gewond. Zullen we hem slachten?’
‘Uh, je bedoelt net als gans?’
‘Ja waarom niet. Misschien wel lekker: zwanenborst.’

Ik keek naar de zwaan. Wat was het een grote vogel. Het lijf alleen was al wel een meter lang. En dan de hals nog, met de kop. Zijn oogjes stonden nog redelijk helder voor een dood beest. Zijn zwart met oranje snavel was dicht.

‘Uh, ik weet niet,’ reageerde ik aarzelend.

Dan zie ik een zwaan vliegen. Voorbij de ligboxstal.

‘Zwanen zijn toch altijd samen in de zomer?’ vraag ik.
‘Ja, ze vormen paren. Voor het leven.’
‘Misschien vliegt zijn wederhelft daar wel.’
‘Misschien,’ zei mijn boer. Hij dacht nog over het slachtdilemma na. ‘Ik weet niet of ik hem wil slachten. Misschien heeft hij wel iets onder de leden. Ik heb er te weinig verstand van. Maar we moeten nu weg. Het beest kan hier eerst wel even blijven.’

Mijn boer pakte de zwaan uit de achterbak en smeet hem in het gras. Er klonk een zware plof en de Koninklijke vogel viel in een onnatuurlijke houding op de grond. Zo zag hij er heel erg dood uit. Hij. Ik ging er van uit dat het een mannetje was, maar ik wist niet waar je dat aan zou kunnen zien. Het vrouwtje zoekt hem misschien, bedacht ik me. Zij zou haar trotse man nooit in deze witte hoop herkennen. Ik speurde de lucht af, of ik haar zag, maar op een paar zeemeeuwen na, was de hemel vogelloos.

Zwanen zien er altijd zo nieuw uit.
Zo zondags, zo pas in bad geweest.

De eerste regels van een kindergedicht van Armand van Assche kwamen bij me op.

‘Laten we hem maar niet opeten,’ zei ik toen en daarna:
‘Kan hij met Rendac mee?’ (Rendac is de dienst die dood vee ophaalt.)
‘Dan moet ik er ook nog voor betalen. Ik leg hem wel bij het spoor of zo. Laat de natuur zijn gang gaan. Hij wordt wel weg.’
‘Je bedoelt dat de vos hem opeet?’
‘Ja, of een ander beest.‘
‘Ik leg hem straks wel bij het spoor,’ besloot ik de kwestie en deed de radio aan.

Nu sta ik weer bij de zwaan en aarzel. Hoe pak ik hem beet? Hoe zal hij aanvoelen?
Uiteindelijk leg ik mijn handen tegen de vleugels en til hem op. Ik heb niet het gevoel iets doods aan te raken. Zijn verenkleed is dik en zacht. Ik neem hem in mijn armen. Hij weegt net zoveel als een peuter. Wat is hij mooi en wit. Ik strijk even met mijn wang langs de donsveertjes van zijn borst. Maar dan voel ik de kop tegen mijn benen.  Die bungelt naar beneden en slingert heen en weer tijdens het lopen.

Ik besluit hem onder de hoogspanningsmast, naast het spoor te leggen. Het is er begroeid met haagwinde en daar vlij ik hem neer. Op een groen tapijtje, omringd met witte bloemen. 

Nog even aai ik hem wonderend over zijn majesteitelijke vleugels en probeer ondertussen, heel hard, niet aan de vos te denken.




Groentje


vrijdag 21 augustus 2015

Krijg de Kriebels


De stier komt recht op me af. Ik spreid mijn armen op schouderhoogte en roep: ‘Heu!’
Het beest laat nog wat macho gemurmel  horen, maar zwenkt dan af. De pinken, koeien die voor het eerst door een stier gedekt worden, verdringen elkaar in de met hekken afgezette hoek van de stal. Ze staan zo dicht op elkaar dat er één, over de kop van een andere poept. De stront loopt in haar ogen, die ze paniekerig wegdraait.

Mijn boer, een hulp en ik hebben de pinken in deze hoek gedreven, om ze te kunnen ontwormen. Dat is belangrijk voor hun gezondheid. De middelen die we hiervoor gebruiken, zijn echter niet zo goed voor het bodemleven. De beesten poepen het medicinale goedje uit, waarna de wormen en insecten in de grond, de volle laag krijgen.

Is het krijgen van wormen niet te voorkomen?

Alleen als je het vee altijd op stal zet. En dat willen we ook niet.

 Voor een soortgelijk dilemma, stelt ons momenteel een onooglijk slakje. Het is een parasiet die gedijt in natte gebieden. Onze koeien krijgen er leverbot van, een ouderwetse ziekte die met diepte-ontwatering niet meer voorkwam.

Wij hebben het waterpeil echter bewust verhoogt. Dat is namelijk goed voor het bodemleven en voor de leefomstandigheden van weidevogels. Nog een voordeel is dat het vee kan gemakkelijker uit de sloot kan drinken.

Maar het heeft dus ook nadelen.

Enfin. Vandaag zullen de pinken dus van hun wormen worden verlost. Mijn boer heeft een grote spuit, waarmee hij bij ieder beest, een afgemeten hoeveelheid medicijn, over de rug sproeit. Zo nu en dan roept hij mij, want sommige pinken zijn al drachtig en die moeten iets anders toegediend krijgen. Dat doe ik. De hulp heeft als taak de behandelde pinken de stal uit te jagen.

Het gaat niet goed. Onbehandelde pinken worden losgelaten en alles loopt door elkaar. Mijn boer schreeuwt onverstaanbare dingen naar me. De pinken dringen om me heen. Ik heb geen laarzen met verstevigde neuzen aan en ben bang dat ze op mijn tenen gaan staan. Voor de stieren ben ik trouwens op zich niet bang: die krijgen zoveel seks dat ze geen puf meer hebben.

Ik weet niet wat er van me verlangd wordt en kom in de verdrukking als de pinken, door alle consternatie, steeds wilder bewegen. Het lukt me de muur te bereiken en daar blijf ik, totdat het weer rustig is. Ik kan de instructies van mijn boer weer verstaan en heb genoeg vertrouwen, om ze ook op te volgen.

We krijgen de zaak weer onder controle en mijn boer knipoogt naar me:
‘Over een paar dagen kriebel aan je gat,’ zegt hij.
‘Wat?!’
‘Nou, je hebt jezelf ook ontwormd’ en hij knikt naar mijn handen die kleverig zijn van de medicinale vloeistof.

Shit! In een reflex veeg ik mijn handen af, aan m’n met stront besmeurde overall, maar dat helpt natuurlijk niet. Ik heb genoeg van dat spul op mijn huid gekregen, om een hele koe mee te ontwormen. Mijn boer trouwens ook.

‘We hadden handschoenen aan moeten doen!’ roep ik.
‘Ik heb beschermende kleding in de auto liggen. In de haast niet meer aan gedacht. Stom hé?’
‘Ja stom,’ zeg ik boos.

Dit overkomt me niet nog een keer. Als we bezorgd zijn over het bodemleven, dan moeten we ook ons lichaam serieus nemen.  Ik wil die rommel niet in mijn lijf! Het is een kleine moeite handschoenen en een waterdichte overall aan te trekken.

Hoe het moet met de bodem blijft een probleem. Daar kunnen we geen plastic laagje overheen leggen. Wat dan wel? De weerstand van het vee is natuurlijk belangrijk, maar misschien kunnen we ook kruiden gebruiken. Het moet toch mogelijk zijn onszelf, het vee én de natuur te beschermen?

En uh: nee. Tot op heden heb ik nog geen kriebel gevoeld.


Groentje




woensdag 29 juli 2015

Giftige Dromen






Het is net een paddenstoel, denk ik, als ik in de auto stap.

Onze auto is rood met witte stippen.

De zwaluwen hebben er tientallen witte poepjes op laten vallen. Ze broeden in de stal en vertonen dagelijks hun vliegkunsten in en om de boerderij. Het zijn echte luchtacrobaten. Al staat de staldeur op een kier, de zwaluwen vliegen er trefzeker doorheen. Ik heb er nog nooit één vaart terug zien nemen, of een deur zien schampen. Nooit.

Als ik de snelweg op draai, zet ik alle ramen tegen elkaar open, om de vliegen kwijt te raken, die in de auto rondzweven. Wat doen die in mijn auto, vraag je je misschien af. Tsja, wat doen ze in de stal, op ons terras, in de slaapkamers, in de keuken, op de wc?

Nooit had ik kunnen bevroeden wat voor een plaag vliegen kunnen zijn. Toen ik nog in een burgerhuisje woonde, had ik ze ook wel eens. Die sloeg ik dan dood. Verder waren horren voor de ramen, voldoende om ze te weren. Op een melkveehouderij is het echter andere koek. Daar komen vliegen in zulke aantallen op het vee af, dat je associaties krijgt met Bijbelse plagen.

Horren en van die slierten voor de deur, richten niets uit. In de keuken hangt voortdurend een schroeilucht van vliegen die in onze elektrische vliegenlamp verbranden. Als ik een kopje van het aanrecht pak, stijgt er een wolk van vliegen op. ‘Deur dicht!’ schreeuw ik naar iedereen die binnenkomt. En iedere avond kun je me verbeten vliegen zien meppen. Mijn moordzucht laat overal bloedsporen achter.

Ons plafond is wit met rode stippen.

En poepen die beesten! Ik ben me nooit eerder bewust geweest van het feit, dat muggen zich ook ontlasten. Overal laten ze piepkleine, zwarte vlekjes achter, die je alleen kunt verwijderen door langdurig te poetsen.

Onze lamp is geel met zwarte stippen.

Steeds vaker betrap ik mezelf op fantasieën over gif. Wat zou ik graag eens met een spuitbus rondgaan. Vliegen die dood uit de lucht vallen, wat een heerlijke droom. En als ik dan toch bezig ben, kan ik misschien ook wat aan het onkruid doen. Dat wieden is zoveel werk. Wat zou het hier moeiteloos netjes kunnen worden, met maar een paar busjes gif!

Maar dan denk ik aan de zwaluwen. We hebben  zoveel zwaluwen, omdat we zoveel vliegen hebben en ik moet er niet aan denken dat zij dood uit de lucht zouden vallen. Die petieterige vogeltjes  zijn helemaal uit Afrika naar ons toe gekomen, om hier een nestje te bouwen en jongen groot te brengen.
Weet je wat. Ik rijd wel even door de wasstraat.

En de vliegen? 

Ach, ik zal nog wel eens van spuitbussen dromen, maar zodra de zomer voorbij is, is dat probleem ook weer opgelost.



Groentje




donderdag 16 juli 2015

Melk voor elk?



De melk is op. Ik sta in mijn ochtendjas, voor de koelkast, tevergeefs naar de melk te zoeken. Gelukkig hoef ik niet naar de winkel. We hebben een tank waar 24.000 liter melk in kan.

Ik pak een grote pan met deksel van de plank en loop naar de schuur. Daar schop ik mijn pantoffels uit en steek mijn blote voeten in rubberlaarzen. Ik voel iets hooiachtigs in mijn voetzolen prikken, maar ik heb geen zin om sokken te halen. Jouke, de hond, komt enthousiast op me af rennen. Hij ziet de pan en weet wat er gaat gebeuren.

Samen lopen we richting ligboxstal. Daarachter is het tanklokaal. Ik hoor dat de melker nog bezig is. Dat is mooi, want dan kan ik de melk uit de voorkoeler halen. Daarin wordt de melk verzameld, die op dit moment gemolken wordt. Verser kan niet. Ik trek een rubberen slang los en de melk bruist naar buiten. In een paar tellen is de pan vol. Te vol, want als ik over de drempel stap, mors ik een plens. Jouke is er meteen bij om het, al kwispelend, op te likken.

‘Foei,’ roep ik, want melk is niet goed voor honden. Sommigen zeggen dat melk ook niet goed voor mensen is. Ik ken persoonlijk Afrikaanse vluchtelingen die diarree krijgen van melk, omdat ze dat sinds hun peutertijd ontwend zijn. Het lichaam heeft in zo’n geval niet meer de benodigde enzymen om melk af te breken. Voor de doorsnee Nederlander is melkconsumptie echter geen probleem. Mijn puberdochter vindt echter van wel en volgt de nieuwste trend: ze drinkt sojamelk.

Sojamelk! Dat moet vanuit Zuid Amerika worden aangesleept, terwijl wij hier prachtige beesten hebben rondlopen, die voor ons gras omzetten in een lokaal natuurproduct. Onze koeien lopen de hele zomer buiten, in kruidenrijk gras en krijgen nauwelijks bijgevoerd.
We zijn hier trots op, want niet alle melk uit Nederland is van dezelfde kwaliteit. Veel boeren houden hun koeien binnen, waar ze van alles bijgevoerd krijgen, alsof het varkens zijn! Het gemaaide gras wat die voorgeschoteld krijgen, is super snel opgekweekt en er is geen blaadje smalle weegbree, zuring, of klaver in te vinden. De melk van deze koeien heeft een hele andere samenstelling en smaakt lang zo lekker niet. 

Ik loop terug naar huis en houd de pan zo rechtop mogelijk voor me uit, zodat er niet weer melk over de rand klotst. Jouke loopt met zijn staart in de lucht, zigzaggend, voor me uit. Zo nu en dan blaft hij naar een zwaluw, die rakelings over hem heen scheert. Het is alsof ze hem plagen. Een schuchter zonnetje komt achter een grote grijze wolk vandaan. Ik hoor de koeien loeien, die in de rij voor de melkstal staan. Zij brengen en ik haal. Wat is dat toch prettig geregeld!


Groentje

woensdag 8 juli 2015

Rennen in het Gras



Mijn boer heeft zijn been gebroken. Dat is niet best. Vooral niet voor een boer. Vandaag wil hij het vee in een wat verder afgelegen weiland inspecteren. Of ik wil chauffeuren? 

Ik zou me eigenlijk in mijn kantoortje opsluiten om een opdracht af te maken, maar ach, dit is wel het minste wat ik voor hem kan doen. Bovendien: door de weilanden crossen in een landcruiser, met de raampjes open, naast je geliefde, is niet een hele grote opoffering. 

Ik klim dus in het oude brik met vierwielaandrijving en start de motor.
‘Wel even gloeien,’ zegt mijn boer meteen, ‘Het is een diesel.’
De auto ruikt ook naar diesel, vermengt met iets dierlijks: stront waarschijnlijk. Er ligt ook wel eens een kalfje achterin.
‘Oh ja,’ zeg ik en lach vrolijk naar mijn ietwat bedrukte boer.

Zijn krukken liggen achter in de bak. Samen met een schop, touwtjes, een lege fles rivella, bouten en moeren, een houten balk, plukken hooi en een lege kartonnen doos. Daar gaan we.

Er waait een frisse bries naar binnen. In de verte zien we witte zeiltjes door het landschap schuiven. De pinken hebben maar een mooi leven met dit weer.

Pinken zijn puberkoeien en mijn boer bedenkt dat het tijd wordt, dat ze gestierd worden: zwanger gemaakt door een stier. Deze dracht markeert een belangrijke overgang in hun leven. Ze worden vaars en daarmee vallen ze al onder de categorie melkkoe.

Enfin. Ze moeten dus met de stieren in contact worden gebracht en die lopen in een weiland verderop. 

Daar had ik niet op gerekend, want ik draag een zomerjurk en fijne sandaaltjes. Maar we zijn er nu toch, dus ik loop naar de andere kant van het weiland om de kudde van achteren op te drijven.

Mijn boer doet het hek open en roept vanuit de verte iets naar me. Zijn stem verwaait in de wind, maar uit het gezwaai met zijn kruk, maak ik op dat ik de dieren meer van de zijkant op moet drijven, zodat ze bij de sloot uitkomen. Ze zitten dan in het nauw en van daaruit heb ik meer kans dat ik met de hele kudde bij het hek uitkom. Het is belangrijk alle dieren binnen de groep te houden, anders rennen ze zo weer alle kanten op.

Het is niet handig om dit in mijn eentje te doen en ik heb te doen met mijn boer, die zo graag ook zou willen rennen, maar ik voel me blij.

Het is zo’n perfecte Friese zomerdag, waarop de weilanden zo appelgroen zijn, dat je er in zou willen bijten. De wolken doen denken aan opgelaten witte ballonnen, die feestelijk ronddrijven in een knalblauwe lucht. Het vee ziet er glanzend en weldoorvoed uit en mijn voeten zakken weg in het zachte gras.

Het is misschien een verschrikkelijk cliché, maar zo ziet de werkelijkheid er vandaag uit.



Groentje

zondag 5 juli 2015

De rode Dwerg


Wat doet dat hier? vraag ik me af, als ik het erf oprijd.

Er staat een roodharige mini pony in de berm. Hij ziet mij waarschijnlijk niet, want er hangt touwachtige haar over zijn ogen. Dan wordt mijn blik naar zijn geslacht getrokken. Voor zo’n klein mannetje is hij namelijk opvallend goed bedeeld. Aan de andere kant van de weg staan onze Friese merries: Foekje en Wypkje. Zij lijken ook door hem gefascineerd.

En dat is de bedoeling, hoor ik later. Het is namelijk een zogenaamde schouwhengst. We hebben hem even te leen, omdat door zijn mannelijke aanwezigheid, de merries het duidelijker tonen, als ze hengstig zijn. Hengstig zijn, betekent dat ze willen paren. (Ze gaan dan bijvoorbeeld veel plassen.) Het is handig dat ze dat laten zien, want dan kunnen wij actie ondernemen: we willen graag veulentjes.

Het voordeel van de korte pootjes van deze hengst is, dat hij niet werkelijk iets klaar kan maken. Wij willen natuurlijk stamboeknageslacht, van onze zwarte schoonheden.

De volgende avond komen we thuis van een familie-uitje. Als we het erf opdraaien, slaat de schrik ons om het hart, want wat zien we in het licht van de koplampen? Wypkje, met achter haar die afzichtelijke pony. Hij probeert haar te bestijgen! Slap van het lachen, springen we allemaal uit de auto en trekken we de beesten uit elkaar. De rode dwerg komt weer stevig aan het spit en Wypkje achter schrikdraad.

Wypkje is hengstig. Dat is dus duidelijk. Als de veearts komt, constateert hij een ei van zeven centimeter en dat betekent dat het rijp is. Wat groot! denk ik. Nu kan de merrie geïnsemineerd worden. Hiervoor komt een oude man in een zwart busje. En hij komt een paar keer, want het is niet meteen raak.

‘Nou, nog maar eens proberen,’ zegt de man, als hij zijn lange, plastic handschoen aantrekt. Deze komt wel tot de oksel. Hij neemt nog een laatste trek van zijn shagje, gooit hem op de stalvloer en trapt hem uit met zijn klomp.

‘Ik hoop dat het deze keer lukt,’ zeg ik.
‘Dat weet je maar nooit,’ is zijn terechte weerwoord. Hij spuit wat glijmiddel over de handschoen, pakt een rietje met sperma (van een zorgvuldig gekozen Friese dekhengst) en laat vervolgens neuriënd zijn arm in de vagina van de merrie glijden. Hij kijkt even geconcentreerd naar voren en trekt zijn arm weer terug. 
‘Zo, nu maar afwachten,' bromt hij. De handschoen wordt afgestroopt, de spullen gepakt en dat is dat.
De man verdwijnt weer in zijn busje.

Ze is een paar keer tevergeefs geïnsemineerd, maar nu lijkt het raak: ‘Het ei is gesprongen,’ zegt de veearts de volgende dag, terwijl hij het scanapparaat, waarmee hij dat vaststelt, uit Wypkje trekt. Nog zeventien dagen wachten en dan weten we, of we over elf maanden een veulentje krijgen. De kans is ongeveer vijftig procent.

Ik hoop het zo! Want wat is er ontroerender dan zo’n klein, zwart wezentje, dat bijna alleen maar uit beentjes bestaat; zo fragiel en sprookjesachtig.

En dan te bedenken wat er allemaal aan voorafgegaan is: dat is beslist geen sprookje.

Groentje


maandag 22 juni 2015

Kuilen



‘Ga je dan ook even een rondje mee?’ vraagt mijn boer over de telefoon. Ik heb hem de hele dag nog niet gezien, want hij is aan het kuilen. En als je aan het kuilen bent, kun je daar geen moment mee ophouden. Ik word dus vriendelijk verzocht met een lunchpakket en een fles rivella naar de kuil bult te komen.

Kuilen is het tegenovergestelde wat je zou denken. Je maakt namelijk geen kuil, maar een bult. Een bult van gras. Deze kuil bult is de wintervoorraad voor de koeien.  Ik haast me er naar toe. De dochter is druk bezig met het inrijden van de kuil met de Manitou.

Vol bewondering kijk ik hoe ze, gekleed in een roze topje, haar blonde lokken in een staartje gebonden, het voertuig vakkundig heen en weer manoeuvreert. Het gras moet stijf in elkaar gereden worden en de bult moet mooi egaal zijn. Niemand kan dat beter dan zij, wordt mij verzekerd, geen loonwerker kan tegen haar op.

Ik besluit mij op een andere manier nuttig maken. Met een plasticzak vol boterhammen en de gewenste fles frisdrank, klim ik bij mijn boer in de trekker. Hij racet meteen door, om meer gras van het weiland te halen. Met rode wangen zit hij achter het stuur.

‘Het loopt als een tierelier,’ verklaart hij blij.
‘Dat is mooi,’ zeg ik en vertel hem de wederwaardigheden van mijn dag. Mijn verhalen komen niet echt over, maar toch vind ik het leuk, zo samen in die kleine cabine, hoog boven het land, zo nu en dan hotsend en botsend door kuilen en greppels. De zon schijnt lekker door het glas en het radiootje staat aan. We hebben zo een rondje gedaan.
‘Tot vanavond,’ roep ik, als ik van het trapje spring.
‘Heu!,’ is het antwoord.

Om half tien ’s avonds zit al het gemaaide gras in de kuil bult en iedereen die op de boerderij rondloopt, wordt opgetrommeld om hem mee af te dekken. Ik dus ook.

We staan met zijn allen op een rij en trekken zwart landbouwplastic over het gras. Dit plastic noemen ze een kleedje. Gestaag, de ruggen gebogen, klimmen we over de bult. Het kleedje achter ons aan. Het is hartstikke zwaar. Kleedje, hoe verzinnen ze het! Mijn nagels drukken in het plastic. Ik ben bang dat ze afbreken, maar dat zeg ik natuurlijk niet.

Dan moeten de autobanden er nog op, zodat het niet weg waait. Deze liggen her en der in het gras. Er zit vies water aan de binnenkant en dat maakt ze zwaar. Als we ze op de bult gooien, spat het alle kanten op.

Maar dan is het klaar. De oogst is binnen en keurig opgeborgen. Precies op het moment dat de voedingswaarde van het gras op zijn hoogst is. Vandaar die haast. Nu kan het fermenteren. Het zal een soort zuurkool voor koeien worden.

Kuilen zal niet het mooiste werk zijn, maar als ik naar de bult kijk, zoals die daar nu ligt te glimmen in het laatste avondlicht, voel ik me tevreden. Over een week of vier maken we weer een nieuwe bult, maar vooralsnog is de klus geklaard.


‘Eten. Er is nasi!’ roep ik en ga met de hele club naar binnen. Daar zetten we het op een schranzen en bierdrinken, want daar heb je wel zin in, als je gekuild hebt.


Groentje

woensdag 10 juni 2015

Moord


Het is stil in ons weiland. Er heeft zich een gruwelijke moordpartij voltrokken. Gisteren zagen we nog volop grutto’s, kieviten en wulpen rondvliegen. Ze riepen en zongen, dat het een lust was. Nu horen we niets meer. En de hazenfamilie buitelt ook niet meer rond. 

Hoe kon dat gebeuren?

Een vos heeft zich te goed gedaan aan ‘onze dieren’. Ze zag een gedekte tafel voor zich en in de nacht van zondag op maandag, heeft ze toegeslagen. Ze at haar buik rond en misschien heeft ze ook nog haar jonge vosjes op een feestmaal getrakteerd. 

Mijn boer is verdrietig, want hij had speciaal voor de weidevogels het waterpeil hoog gezet en de greppels laten volstromen. Deze vogels houden immers van natte voeten. Daarnaast had hij met ruige mest gestrooid en daardoor was er een overvloed aan wormpjes en insecten beschikbaar.

Was dat allemaal voor niets?

Ons weiland is erg aantrekkelijk voor dieren, omdat er niet alleen maar productiegras groeit, maar ook nog boterbloemen, pinksterbloemen, paardenbloemen, klaver, enz. Onze buurboeren noemen dat onkruid. Zij spuiten alles wat geen gras is met vergif dood. Daarbij hebben ze hun waterpeil laag: diepteontwatering heet dat.  Het gras doet het daar wel op, maar dieren en vogels hebben in zo’n omgeving niks te zoeken. Zelfs koeien zie je er nauwelijks, die staan meestal op stal.

Maar terug naar onze boerderij. Daar heeft het kwaad de gedaante van een vos aangenomen.

‘Zullen we onze jager vragen hem dood te schieten? ‘ oppert mijn boer.
‘De vos heeft toch ook recht op eten?’ reageer ik geschrokken.  In gedachten zie ik een nestje jonge vosjes blij hun moeder begroeten. Eindelijk heeft ze weer eens wat lekkers voor hun meegebracht!

Tsja. Eigenlijk gaat het hier niet om recht of onrecht. Ons gebied is gewoon te klein om een vos te voeden. Om in leven te blijven, moet hij al het andere leven opeten.

Mijn boer beslist dat de jager het probleem op zal lossen. Dat voelt niet goed, maar ik kan me er gemakkelijker bij neerleggen dan toen ik nog een stadsmeisje was. Op de boerderij wordt ik voortdurend geconfronteerd met beslissingen over het leven en de dood. Weinig dieren sterven er van ouderdom.

Maar misschien is er nog een andere mogelijkheid, schiet het door me heen. De vos kan vluchten! Misschien verhuist ze naar een gebied waar meer ruimte voor haar is. Een uitgestrekt gebied, met volop eieren, vogels en haasjes. Een plek waar ze haar jonkies kan voeden, zonder een heel ecosysteem te ontwrichten.

Het is een troostende gedachte, maar helaas niet realistisch. Zulke gebieden zijn in Nederland immers bijna niet meer te vinden. En dat is toch wel heel erg jammer.


Groentje

donderdag 4 juni 2015

Paarden opzetten



´Jouke! Niet naar de benen van de paarden happen!´
Ik loop met twee pick-up touwtjes naar het hek waar onze Friese merries Foekje en Wypkje  op me staan te wachten. Ze staan met hun grote, zwarte hoofden over de stroomdraad gebogen, precies zover als ze durven.

Jouke is de hond. Jouke Bliksem. Hij wil de paarden plagen. En dat mag niet van mij. Na een ernstige vermaning gaat hij bedrukt bij de brievenbus zitten. Ik maak de touwtjes aan de halsters van de paarden vast. Dan druk ik de knoppen van het tikkastje naar beneden, zodat de stroom van de draad gaat en maak ik het hek open.

‘Kom maar,’ zeg ik tegen Foekje en Wypkje en maak een aanmoedigend klikgeluid met mijn tong. Ik trek aan de touwtjes en loop naar de stal. De paarden stappen bedaard achter me aan.

Dan stuift Jouke op me af. Hij blaft obstinaat. Ik scheld hem uit en Wypkje maakt een sprongetje. Foekje trekt aan haar touw en ik weet niet hoe het precies gebeurt, maar Wypkje trapt op mijn voet. Een paard van minstens zeshonderd kilo. Ik ben bang dat mijn tenen aan gort zijn.
Dat valt gelukkig mee, maar het doet zeer! Hinkend en scheldend, lukt het me uiteindelijk de paarden op te zetten. Zo heet dat, als je ze naar de stal brengt. Ik vind dat nog steeds een vreemde term, krijg er hele andere beelden bij.

Daar staan ze, in een baan van schuin invallend avondlicht. Stofdeeltjes geven de scene een sepiakleurige, antieke waas. Zwaluwen kwinkeleren in de spanten en Foekje briest van tevredenheid. Ik leun op de hooivork en kijk naar het tafereel. Jouke komt bij me zitten.

‘Brave hond,’ zeg ik. En ik meen het ook nog.

Groentje

donderdag 28 mei 2015

Vrouw zoekt Boer?


Nee, ik heb niet aan boer zoekt vrouw meegedaan.
Ja, ik ga wel met een boer samenwonen. 
Op een melkveehouderij. Hij houdt koeien.
Nee, ik ga niet echt meewerken. Ik ben geen boerin.
Ja, natuurlijk moet ik wel iets doen, maar eerst maar eens verhuizen. En bijkomen van alles wat er in mijn leven is gebeurd.

Nee, ik ben de stad niet zat en ik verlang niet naar iets als ‘terug naar de natuur’ of ‘het eerlijke, eenvoudige leven’. Ik ben gewoon verliefd geworden. Toevallig op een boer en dan hoort een boerderij bij het pakket. Je kunt een boer niet uit zijn boerderij halen. Wat dat betreft is het een bijzonder beroep. Het is het een manier van leven, inderdaad.

Mijn leven zal ingrijpend veranderen. Van een schattig appartementje in de stad, verhuis ik naar een grote, moderne boerderij op het Friese platteland.
Er wordt erg romantisch tegen het boerenleven aangekeken. Daarom is Boer zoekt Vrouw waarschijnlijk ook zo populair. De mensen verlangen naar echtheid en puurheid. Wat dat dan ook maar mag betekenen. Ik kom uit een klein dorpje en weet dat plattelanders niet echter of puurder zijn dan stadsbewoners.

De boerenjongens die ik kende, waren gewone jongens. Zij het vaak wat stug en onbehouwen. Misschien inderdaad het type: ruwe bolster blanke pit, maar dat vond ik niet aantrekkelijk. Hun blanke pit was echt niet blanker dan die van andere jongens. Als ik dan toch kon kiezen, dan had ik liever een aantrekkelijkere verpakking. Mijn vriendje moest iemand zijn met savoir vivre. En die woorden ook nog op de juiste manier kunnen uitspreken.

Het kan verkeren. Nu ben ik dolverliefd op een man, die boer is en ik wil zo dicht mogelijk bij hem zijn. Natuurlijk weet ik zeker dat we samen een fantastisch leven zullen krijgen.

Wordt vervolgd!