maandag 22 juni 2015

Kuilen



‘Ga je dan ook even een rondje mee?’ vraagt mijn boer over de telefoon. Ik heb hem de hele dag nog niet gezien, want hij is aan het kuilen. En als je aan het kuilen bent, kun je daar geen moment mee ophouden. Ik word dus vriendelijk verzocht met een lunchpakket en een fles rivella naar de kuil bult te komen.

Kuilen is het tegenovergestelde wat je zou denken. Je maakt namelijk geen kuil, maar een bult. Een bult van gras. Deze kuil bult is de wintervoorraad voor de koeien.  Ik haast me er naar toe. De dochter is druk bezig met het inrijden van de kuil met de Manitou.

Vol bewondering kijk ik hoe ze, gekleed in een roze topje, haar blonde lokken in een staartje gebonden, het voertuig vakkundig heen en weer manoeuvreert. Het gras moet stijf in elkaar gereden worden en de bult moet mooi egaal zijn. Niemand kan dat beter dan zij, wordt mij verzekerd, geen loonwerker kan tegen haar op.

Ik besluit mij op een andere manier nuttig maken. Met een plasticzak vol boterhammen en de gewenste fles frisdrank, klim ik bij mijn boer in de trekker. Hij racet meteen door, om meer gras van het weiland te halen. Met rode wangen zit hij achter het stuur.

‘Het loopt als een tierelier,’ verklaart hij blij.
‘Dat is mooi,’ zeg ik en vertel hem de wederwaardigheden van mijn dag. Mijn verhalen komen niet echt over, maar toch vind ik het leuk, zo samen in die kleine cabine, hoog boven het land, zo nu en dan hotsend en botsend door kuilen en greppels. De zon schijnt lekker door het glas en het radiootje staat aan. We hebben zo een rondje gedaan.
‘Tot vanavond,’ roep ik, als ik van het trapje spring.
‘Heu!,’ is het antwoord.

Om half tien ’s avonds zit al het gemaaide gras in de kuil bult en iedereen die op de boerderij rondloopt, wordt opgetrommeld om hem mee af te dekken. Ik dus ook.

We staan met zijn allen op een rij en trekken zwart landbouwplastic over het gras. Dit plastic noemen ze een kleedje. Gestaag, de ruggen gebogen, klimmen we over de bult. Het kleedje achter ons aan. Het is hartstikke zwaar. Kleedje, hoe verzinnen ze het! Mijn nagels drukken in het plastic. Ik ben bang dat ze afbreken, maar dat zeg ik natuurlijk niet.

Dan moeten de autobanden er nog op, zodat het niet weg waait. Deze liggen her en der in het gras. Er zit vies water aan de binnenkant en dat maakt ze zwaar. Als we ze op de bult gooien, spat het alle kanten op.

Maar dan is het klaar. De oogst is binnen en keurig opgeborgen. Precies op het moment dat de voedingswaarde van het gras op zijn hoogst is. Vandaar die haast. Nu kan het fermenteren. Het zal een soort zuurkool voor koeien worden.

Kuilen zal niet het mooiste werk zijn, maar als ik naar de bult kijk, zoals die daar nu ligt te glimmen in het laatste avondlicht, voel ik me tevreden. Over een week of vier maken we weer een nieuwe bult, maar vooralsnog is de klus geklaard.


‘Eten. Er is nasi!’ roep ik en ga met de hele club naar binnen. Daar zetten we het op een schranzen en bierdrinken, want daar heb je wel zin in, als je gekuild hebt.


Groentje

woensdag 10 juni 2015

Moord


Het is stil in ons weiland. Er heeft zich een gruwelijke moordpartij voltrokken. Gisteren zagen we nog volop grutto’s, kieviten en wulpen rondvliegen. Ze riepen en zongen, dat het een lust was. Nu horen we niets meer. En de hazenfamilie buitelt ook niet meer rond. 

Hoe kon dat gebeuren?

Een vos heeft zich te goed gedaan aan ‘onze dieren’. Ze zag een gedekte tafel voor zich en in de nacht van zondag op maandag, heeft ze toegeslagen. Ze at haar buik rond en misschien heeft ze ook nog haar jonge vosjes op een feestmaal getrakteerd. 

Mijn boer is verdrietig, want hij had speciaal voor de weidevogels het waterpeil hoog gezet en de greppels laten volstromen. Deze vogels houden immers van natte voeten. Daarnaast had hij met ruige mest gestrooid en daardoor was er een overvloed aan wormpjes en insecten beschikbaar.

Was dat allemaal voor niets?

Ons weiland is erg aantrekkelijk voor dieren, omdat er niet alleen maar productiegras groeit, maar ook nog boterbloemen, pinksterbloemen, paardenbloemen, klaver, enz. Onze buurboeren noemen dat onkruid. Zij spuiten alles wat geen gras is met vergif dood. Daarbij hebben ze hun waterpeil laag: diepteontwatering heet dat.  Het gras doet het daar wel op, maar dieren en vogels hebben in zo’n omgeving niks te zoeken. Zelfs koeien zie je er nauwelijks, die staan meestal op stal.

Maar terug naar onze boerderij. Daar heeft het kwaad de gedaante van een vos aangenomen.

‘Zullen we onze jager vragen hem dood te schieten? ‘ oppert mijn boer.
‘De vos heeft toch ook recht op eten?’ reageer ik geschrokken.  In gedachten zie ik een nestje jonge vosjes blij hun moeder begroeten. Eindelijk heeft ze weer eens wat lekkers voor hun meegebracht!

Tsja. Eigenlijk gaat het hier niet om recht of onrecht. Ons gebied is gewoon te klein om een vos te voeden. Om in leven te blijven, moet hij al het andere leven opeten.

Mijn boer beslist dat de jager het probleem op zal lossen. Dat voelt niet goed, maar ik kan me er gemakkelijker bij neerleggen dan toen ik nog een stadsmeisje was. Op de boerderij wordt ik voortdurend geconfronteerd met beslissingen over het leven en de dood. Weinig dieren sterven er van ouderdom.

Maar misschien is er nog een andere mogelijkheid, schiet het door me heen. De vos kan vluchten! Misschien verhuist ze naar een gebied waar meer ruimte voor haar is. Een uitgestrekt gebied, met volop eieren, vogels en haasjes. Een plek waar ze haar jonkies kan voeden, zonder een heel ecosysteem te ontwrichten.

Het is een troostende gedachte, maar helaas niet realistisch. Zulke gebieden zijn in Nederland immers bijna niet meer te vinden. En dat is toch wel heel erg jammer.


Groentje

donderdag 4 juni 2015

Paarden opzetten



´Jouke! Niet naar de benen van de paarden happen!´
Ik loop met twee pick-up touwtjes naar het hek waar onze Friese merries Foekje en Wypkje  op me staan te wachten. Ze staan met hun grote, zwarte hoofden over de stroomdraad gebogen, precies zover als ze durven.

Jouke is de hond. Jouke Bliksem. Hij wil de paarden plagen. En dat mag niet van mij. Na een ernstige vermaning gaat hij bedrukt bij de brievenbus zitten. Ik maak de touwtjes aan de halsters van de paarden vast. Dan druk ik de knoppen van het tikkastje naar beneden, zodat de stroom van de draad gaat en maak ik het hek open.

‘Kom maar,’ zeg ik tegen Foekje en Wypkje en maak een aanmoedigend klikgeluid met mijn tong. Ik trek aan de touwtjes en loop naar de stal. De paarden stappen bedaard achter me aan.

Dan stuift Jouke op me af. Hij blaft obstinaat. Ik scheld hem uit en Wypkje maakt een sprongetje. Foekje trekt aan haar touw en ik weet niet hoe het precies gebeurt, maar Wypkje trapt op mijn voet. Een paard van minstens zeshonderd kilo. Ik ben bang dat mijn tenen aan gort zijn.
Dat valt gelukkig mee, maar het doet zeer! Hinkend en scheldend, lukt het me uiteindelijk de paarden op te zetten. Zo heet dat, als je ze naar de stal brengt. Ik vind dat nog steeds een vreemde term, krijg er hele andere beelden bij.

Daar staan ze, in een baan van schuin invallend avondlicht. Stofdeeltjes geven de scene een sepiakleurige, antieke waas. Zwaluwen kwinkeleren in de spanten en Foekje briest van tevredenheid. Ik leun op de hooivork en kijk naar het tafereel. Jouke komt bij me zitten.

‘Brave hond,’ zeg ik. En ik meen het ook nog.

Groentje