woensdag 29 juli 2015

Giftige Dromen






Het is net een paddenstoel, denk ik, als ik in de auto stap.

Onze auto is rood met witte stippen.

De zwaluwen hebben er tientallen witte poepjes op laten vallen. Ze broeden in de stal en vertonen dagelijks hun vliegkunsten in en om de boerderij. Het zijn echte luchtacrobaten. Al staat de staldeur op een kier, de zwaluwen vliegen er trefzeker doorheen. Ik heb er nog nooit één vaart terug zien nemen, of een deur zien schampen. Nooit.

Als ik de snelweg op draai, zet ik alle ramen tegen elkaar open, om de vliegen kwijt te raken, die in de auto rondzweven. Wat doen die in mijn auto, vraag je je misschien af. Tsja, wat doen ze in de stal, op ons terras, in de slaapkamers, in de keuken, op de wc?

Nooit had ik kunnen bevroeden wat voor een plaag vliegen kunnen zijn. Toen ik nog in een burgerhuisje woonde, had ik ze ook wel eens. Die sloeg ik dan dood. Verder waren horren voor de ramen, voldoende om ze te weren. Op een melkveehouderij is het echter andere koek. Daar komen vliegen in zulke aantallen op het vee af, dat je associaties krijgt met Bijbelse plagen.

Horren en van die slierten voor de deur, richten niets uit. In de keuken hangt voortdurend een schroeilucht van vliegen die in onze elektrische vliegenlamp verbranden. Als ik een kopje van het aanrecht pak, stijgt er een wolk van vliegen op. ‘Deur dicht!’ schreeuw ik naar iedereen die binnenkomt. En iedere avond kun je me verbeten vliegen zien meppen. Mijn moordzucht laat overal bloedsporen achter.

Ons plafond is wit met rode stippen.

En poepen die beesten! Ik ben me nooit eerder bewust geweest van het feit, dat muggen zich ook ontlasten. Overal laten ze piepkleine, zwarte vlekjes achter, die je alleen kunt verwijderen door langdurig te poetsen.

Onze lamp is geel met zwarte stippen.

Steeds vaker betrap ik mezelf op fantasieën over gif. Wat zou ik graag eens met een spuitbus rondgaan. Vliegen die dood uit de lucht vallen, wat een heerlijke droom. En als ik dan toch bezig ben, kan ik misschien ook wat aan het onkruid doen. Dat wieden is zoveel werk. Wat zou het hier moeiteloos netjes kunnen worden, met maar een paar busjes gif!

Maar dan denk ik aan de zwaluwen. We hebben  zoveel zwaluwen, omdat we zoveel vliegen hebben en ik moet er niet aan denken dat zij dood uit de lucht zouden vallen. Die petieterige vogeltjes  zijn helemaal uit Afrika naar ons toe gekomen, om hier een nestje te bouwen en jongen groot te brengen.
Weet je wat. Ik rijd wel even door de wasstraat.

En de vliegen? 

Ach, ik zal nog wel eens van spuitbussen dromen, maar zodra de zomer voorbij is, is dat probleem ook weer opgelost.



Groentje




donderdag 16 juli 2015

Melk voor elk?



De melk is op. Ik sta in mijn ochtendjas, voor de koelkast, tevergeefs naar de melk te zoeken. Gelukkig hoef ik niet naar de winkel. We hebben een tank waar 24.000 liter melk in kan.

Ik pak een grote pan met deksel van de plank en loop naar de schuur. Daar schop ik mijn pantoffels uit en steek mijn blote voeten in rubberlaarzen. Ik voel iets hooiachtigs in mijn voetzolen prikken, maar ik heb geen zin om sokken te halen. Jouke, de hond, komt enthousiast op me af rennen. Hij ziet de pan en weet wat er gaat gebeuren.

Samen lopen we richting ligboxstal. Daarachter is het tanklokaal. Ik hoor dat de melker nog bezig is. Dat is mooi, want dan kan ik de melk uit de voorkoeler halen. Daarin wordt de melk verzameld, die op dit moment gemolken wordt. Verser kan niet. Ik trek een rubberen slang los en de melk bruist naar buiten. In een paar tellen is de pan vol. Te vol, want als ik over de drempel stap, mors ik een plens. Jouke is er meteen bij om het, al kwispelend, op te likken.

‘Foei,’ roep ik, want melk is niet goed voor honden. Sommigen zeggen dat melk ook niet goed voor mensen is. Ik ken persoonlijk Afrikaanse vluchtelingen die diarree krijgen van melk, omdat ze dat sinds hun peutertijd ontwend zijn. Het lichaam heeft in zo’n geval niet meer de benodigde enzymen om melk af te breken. Voor de doorsnee Nederlander is melkconsumptie echter geen probleem. Mijn puberdochter vindt echter van wel en volgt de nieuwste trend: ze drinkt sojamelk.

Sojamelk! Dat moet vanuit Zuid Amerika worden aangesleept, terwijl wij hier prachtige beesten hebben rondlopen, die voor ons gras omzetten in een lokaal natuurproduct. Onze koeien lopen de hele zomer buiten, in kruidenrijk gras en krijgen nauwelijks bijgevoerd.
We zijn hier trots op, want niet alle melk uit Nederland is van dezelfde kwaliteit. Veel boeren houden hun koeien binnen, waar ze van alles bijgevoerd krijgen, alsof het varkens zijn! Het gemaaide gras wat die voorgeschoteld krijgen, is super snel opgekweekt en er is geen blaadje smalle weegbree, zuring, of klaver in te vinden. De melk van deze koeien heeft een hele andere samenstelling en smaakt lang zo lekker niet. 

Ik loop terug naar huis en houd de pan zo rechtop mogelijk voor me uit, zodat er niet weer melk over de rand klotst. Jouke loopt met zijn staart in de lucht, zigzaggend, voor me uit. Zo nu en dan blaft hij naar een zwaluw, die rakelings over hem heen scheert. Het is alsof ze hem plagen. Een schuchter zonnetje komt achter een grote grijze wolk vandaan. Ik hoor de koeien loeien, die in de rij voor de melkstal staan. Zij brengen en ik haal. Wat is dat toch prettig geregeld!


Groentje

woensdag 8 juli 2015

Rennen in het Gras



Mijn boer heeft zijn been gebroken. Dat is niet best. Vooral niet voor een boer. Vandaag wil hij het vee in een wat verder afgelegen weiland inspecteren. Of ik wil chauffeuren? 

Ik zou me eigenlijk in mijn kantoortje opsluiten om een opdracht af te maken, maar ach, dit is wel het minste wat ik voor hem kan doen. Bovendien: door de weilanden crossen in een landcruiser, met de raampjes open, naast je geliefde, is niet een hele grote opoffering. 

Ik klim dus in het oude brik met vierwielaandrijving en start de motor.
‘Wel even gloeien,’ zegt mijn boer meteen, ‘Het is een diesel.’
De auto ruikt ook naar diesel, vermengt met iets dierlijks: stront waarschijnlijk. Er ligt ook wel eens een kalfje achterin.
‘Oh ja,’ zeg ik en lach vrolijk naar mijn ietwat bedrukte boer.

Zijn krukken liggen achter in de bak. Samen met een schop, touwtjes, een lege fles rivella, bouten en moeren, een houten balk, plukken hooi en een lege kartonnen doos. Daar gaan we.

Er waait een frisse bries naar binnen. In de verte zien we witte zeiltjes door het landschap schuiven. De pinken hebben maar een mooi leven met dit weer.

Pinken zijn puberkoeien en mijn boer bedenkt dat het tijd wordt, dat ze gestierd worden: zwanger gemaakt door een stier. Deze dracht markeert een belangrijke overgang in hun leven. Ze worden vaars en daarmee vallen ze al onder de categorie melkkoe.

Enfin. Ze moeten dus met de stieren in contact worden gebracht en die lopen in een weiland verderop. 

Daar had ik niet op gerekend, want ik draag een zomerjurk en fijne sandaaltjes. Maar we zijn er nu toch, dus ik loop naar de andere kant van het weiland om de kudde van achteren op te drijven.

Mijn boer doet het hek open en roept vanuit de verte iets naar me. Zijn stem verwaait in de wind, maar uit het gezwaai met zijn kruk, maak ik op dat ik de dieren meer van de zijkant op moet drijven, zodat ze bij de sloot uitkomen. Ze zitten dan in het nauw en van daaruit heb ik meer kans dat ik met de hele kudde bij het hek uitkom. Het is belangrijk alle dieren binnen de groep te houden, anders rennen ze zo weer alle kanten op.

Het is niet handig om dit in mijn eentje te doen en ik heb te doen met mijn boer, die zo graag ook zou willen rennen, maar ik voel me blij.

Het is zo’n perfecte Friese zomerdag, waarop de weilanden zo appelgroen zijn, dat je er in zou willen bijten. De wolken doen denken aan opgelaten witte ballonnen, die feestelijk ronddrijven in een knalblauwe lucht. Het vee ziet er glanzend en weldoorvoed uit en mijn voeten zakken weg in het zachte gras.

Het is misschien een verschrikkelijk cliché, maar zo ziet de werkelijkheid er vandaag uit.



Groentje

zondag 5 juli 2015

De rode Dwerg


Wat doet dat hier? vraag ik me af, als ik het erf oprijd.

Er staat een roodharige mini pony in de berm. Hij ziet mij waarschijnlijk niet, want er hangt touwachtige haar over zijn ogen. Dan wordt mijn blik naar zijn geslacht getrokken. Voor zo’n klein mannetje is hij namelijk opvallend goed bedeeld. Aan de andere kant van de weg staan onze Friese merries: Foekje en Wypkje. Zij lijken ook door hem gefascineerd.

En dat is de bedoeling, hoor ik later. Het is namelijk een zogenaamde schouwhengst. We hebben hem even te leen, omdat door zijn mannelijke aanwezigheid, de merries het duidelijker tonen, als ze hengstig zijn. Hengstig zijn, betekent dat ze willen paren. (Ze gaan dan bijvoorbeeld veel plassen.) Het is handig dat ze dat laten zien, want dan kunnen wij actie ondernemen: we willen graag veulentjes.

Het voordeel van de korte pootjes van deze hengst is, dat hij niet werkelijk iets klaar kan maken. Wij willen natuurlijk stamboeknageslacht, van onze zwarte schoonheden.

De volgende avond komen we thuis van een familie-uitje. Als we het erf opdraaien, slaat de schrik ons om het hart, want wat zien we in het licht van de koplampen? Wypkje, met achter haar die afzichtelijke pony. Hij probeert haar te bestijgen! Slap van het lachen, springen we allemaal uit de auto en trekken we de beesten uit elkaar. De rode dwerg komt weer stevig aan het spit en Wypkje achter schrikdraad.

Wypkje is hengstig. Dat is dus duidelijk. Als de veearts komt, constateert hij een ei van zeven centimeter en dat betekent dat het rijp is. Wat groot! denk ik. Nu kan de merrie geïnsemineerd worden. Hiervoor komt een oude man in een zwart busje. En hij komt een paar keer, want het is niet meteen raak.

‘Nou, nog maar eens proberen,’ zegt de man, als hij zijn lange, plastic handschoen aantrekt. Deze komt wel tot de oksel. Hij neemt nog een laatste trek van zijn shagje, gooit hem op de stalvloer en trapt hem uit met zijn klomp.

‘Ik hoop dat het deze keer lukt,’ zeg ik.
‘Dat weet je maar nooit,’ is zijn terechte weerwoord. Hij spuit wat glijmiddel over de handschoen, pakt een rietje met sperma (van een zorgvuldig gekozen Friese dekhengst) en laat vervolgens neuriënd zijn arm in de vagina van de merrie glijden. Hij kijkt even geconcentreerd naar voren en trekt zijn arm weer terug. 
‘Zo, nu maar afwachten,' bromt hij. De handschoen wordt afgestroopt, de spullen gepakt en dat is dat.
De man verdwijnt weer in zijn busje.

Ze is een paar keer tevergeefs geïnsemineerd, maar nu lijkt het raak: ‘Het ei is gesprongen,’ zegt de veearts de volgende dag, terwijl hij het scanapparaat, waarmee hij dat vaststelt, uit Wypkje trekt. Nog zeventien dagen wachten en dan weten we, of we over elf maanden een veulentje krijgen. De kans is ongeveer vijftig procent.

Ik hoop het zo! Want wat is er ontroerender dan zo’n klein, zwart wezentje, dat bijna alleen maar uit beentjes bestaat; zo fragiel en sprookjesachtig.

En dan te bedenken wat er allemaal aan voorafgegaan is: dat is beslist geen sprookje.

Groentje