zaterdag 29 augustus 2015

Zwanenborst


Heb jij wel eens zwanenborst gegeten? Spreekt het idee je aan?

Ik ben niet kinderachtig als het gaat om het eten van wild, maar als ik een zwaan zie, borrelen er geen recepten bij me op.

 Vanmorgen ook niet. Ik deed de achterdeur van de landcruiser open en zag een groot wit iets liggen, tussen de gereedschapskist en een oranje rol schrikdraad in. Pas na enkele seconden realiseerde ik me wat ik zag: een zwaan.

‘Die heb ik in het weiland gevonden. Hij is nog maar net dood, want hij voelde nog warm aan,’ verklaarde mijn boer. ‘Ik denk dat hij tegen de hoogspanningskabels is gevlogen. Hij ziet er gezond uit en is niet gewond. Zullen we hem slachten?’
‘Uh, je bedoelt net als gans?’
‘Ja waarom niet. Misschien wel lekker: zwanenborst.’

Ik keek naar de zwaan. Wat was het een grote vogel. Het lijf alleen was al wel een meter lang. En dan de hals nog, met de kop. Zijn oogjes stonden nog redelijk helder voor een dood beest. Zijn zwart met oranje snavel was dicht.

‘Uh, ik weet niet,’ reageerde ik aarzelend.

Dan zie ik een zwaan vliegen. Voorbij de ligboxstal.

‘Zwanen zijn toch altijd samen in de zomer?’ vraag ik.
‘Ja, ze vormen paren. Voor het leven.’
‘Misschien vliegt zijn wederhelft daar wel.’
‘Misschien,’ zei mijn boer. Hij dacht nog over het slachtdilemma na. ‘Ik weet niet of ik hem wil slachten. Misschien heeft hij wel iets onder de leden. Ik heb er te weinig verstand van. Maar we moeten nu weg. Het beest kan hier eerst wel even blijven.’

Mijn boer pakte de zwaan uit de achterbak en smeet hem in het gras. Er klonk een zware plof en de Koninklijke vogel viel in een onnatuurlijke houding op de grond. Zo zag hij er heel erg dood uit. Hij. Ik ging er van uit dat het een mannetje was, maar ik wist niet waar je dat aan zou kunnen zien. Het vrouwtje zoekt hem misschien, bedacht ik me. Zij zou haar trotse man nooit in deze witte hoop herkennen. Ik speurde de lucht af, of ik haar zag, maar op een paar zeemeeuwen na, was de hemel vogelloos.

Zwanen zien er altijd zo nieuw uit.
Zo zondags, zo pas in bad geweest.

De eerste regels van een kindergedicht van Armand van Assche kwamen bij me op.

‘Laten we hem maar niet opeten,’ zei ik toen en daarna:
‘Kan hij met Rendac mee?’ (Rendac is de dienst die dood vee ophaalt.)
‘Dan moet ik er ook nog voor betalen. Ik leg hem wel bij het spoor of zo. Laat de natuur zijn gang gaan. Hij wordt wel weg.’
‘Je bedoelt dat de vos hem opeet?’
‘Ja, of een ander beest.‘
‘Ik leg hem straks wel bij het spoor,’ besloot ik de kwestie en deed de radio aan.

Nu sta ik weer bij de zwaan en aarzel. Hoe pak ik hem beet? Hoe zal hij aanvoelen?
Uiteindelijk leg ik mijn handen tegen de vleugels en til hem op. Ik heb niet het gevoel iets doods aan te raken. Zijn verenkleed is dik en zacht. Ik neem hem in mijn armen. Hij weegt net zoveel als een peuter. Wat is hij mooi en wit. Ik strijk even met mijn wang langs de donsveertjes van zijn borst. Maar dan voel ik de kop tegen mijn benen.  Die bungelt naar beneden en slingert heen en weer tijdens het lopen.

Ik besluit hem onder de hoogspanningsmast, naast het spoor te leggen. Het is er begroeid met haagwinde en daar vlij ik hem neer. Op een groen tapijtje, omringd met witte bloemen. 

Nog even aai ik hem wonderend over zijn majesteitelijke vleugels en probeer ondertussen, heel hard, niet aan de vos te denken.




Groentje


vrijdag 21 augustus 2015

Krijg de Kriebels


De stier komt recht op me af. Ik spreid mijn armen op schouderhoogte en roep: ‘Heu!’
Het beest laat nog wat macho gemurmel  horen, maar zwenkt dan af. De pinken, koeien die voor het eerst door een stier gedekt worden, verdringen elkaar in de met hekken afgezette hoek van de stal. Ze staan zo dicht op elkaar dat er één, over de kop van een andere poept. De stront loopt in haar ogen, die ze paniekerig wegdraait.

Mijn boer, een hulp en ik hebben de pinken in deze hoek gedreven, om ze te kunnen ontwormen. Dat is belangrijk voor hun gezondheid. De middelen die we hiervoor gebruiken, zijn echter niet zo goed voor het bodemleven. De beesten poepen het medicinale goedje uit, waarna de wormen en insecten in de grond, de volle laag krijgen.

Is het krijgen van wormen niet te voorkomen?

Alleen als je het vee altijd op stal zet. En dat willen we ook niet.

 Voor een soortgelijk dilemma, stelt ons momenteel een onooglijk slakje. Het is een parasiet die gedijt in natte gebieden. Onze koeien krijgen er leverbot van, een ouderwetse ziekte die met diepte-ontwatering niet meer voorkwam.

Wij hebben het waterpeil echter bewust verhoogt. Dat is namelijk goed voor het bodemleven en voor de leefomstandigheden van weidevogels. Nog een voordeel is dat het vee kan gemakkelijker uit de sloot kan drinken.

Maar het heeft dus ook nadelen.

Enfin. Vandaag zullen de pinken dus van hun wormen worden verlost. Mijn boer heeft een grote spuit, waarmee hij bij ieder beest, een afgemeten hoeveelheid medicijn, over de rug sproeit. Zo nu en dan roept hij mij, want sommige pinken zijn al drachtig en die moeten iets anders toegediend krijgen. Dat doe ik. De hulp heeft als taak de behandelde pinken de stal uit te jagen.

Het gaat niet goed. Onbehandelde pinken worden losgelaten en alles loopt door elkaar. Mijn boer schreeuwt onverstaanbare dingen naar me. De pinken dringen om me heen. Ik heb geen laarzen met verstevigde neuzen aan en ben bang dat ze op mijn tenen gaan staan. Voor de stieren ben ik trouwens op zich niet bang: die krijgen zoveel seks dat ze geen puf meer hebben.

Ik weet niet wat er van me verlangd wordt en kom in de verdrukking als de pinken, door alle consternatie, steeds wilder bewegen. Het lukt me de muur te bereiken en daar blijf ik, totdat het weer rustig is. Ik kan de instructies van mijn boer weer verstaan en heb genoeg vertrouwen, om ze ook op te volgen.

We krijgen de zaak weer onder controle en mijn boer knipoogt naar me:
‘Over een paar dagen kriebel aan je gat,’ zegt hij.
‘Wat?!’
‘Nou, je hebt jezelf ook ontwormd’ en hij knikt naar mijn handen die kleverig zijn van de medicinale vloeistof.

Shit! In een reflex veeg ik mijn handen af, aan m’n met stront besmeurde overall, maar dat helpt natuurlijk niet. Ik heb genoeg van dat spul op mijn huid gekregen, om een hele koe mee te ontwormen. Mijn boer trouwens ook.

‘We hadden handschoenen aan moeten doen!’ roep ik.
‘Ik heb beschermende kleding in de auto liggen. In de haast niet meer aan gedacht. Stom hé?’
‘Ja stom,’ zeg ik boos.

Dit overkomt me niet nog een keer. Als we bezorgd zijn over het bodemleven, dan moeten we ook ons lichaam serieus nemen.  Ik wil die rommel niet in mijn lijf! Het is een kleine moeite handschoenen en een waterdichte overall aan te trekken.

Hoe het moet met de bodem blijft een probleem. Daar kunnen we geen plastic laagje overheen leggen. Wat dan wel? De weerstand van het vee is natuurlijk belangrijk, maar misschien kunnen we ook kruiden gebruiken. Het moet toch mogelijk zijn onszelf, het vee én de natuur te beschermen?

En uh: nee. Tot op heden heb ik nog geen kriebel gevoeld.


Groentje