vrijdag 16 december 2016

Uiers in bloei



´Ik ben rond vijf uur terug. Als jij even bij de drogen wilt kijken?’ vraagt mijn boer, voordat hij in de auto stapt.
‘Natuurlijk. Prima!’ roep ik hem na. Ik moet de hele dag aan een opdracht typen en dan is het wel lekker even een frisse neus te halen.

De drogen. Toen ik hier net woonde stelde ik me daar een soort, als rozijnen ingedroogde koeien bij voor. In plaats van de tonnetje ronde, zwangere beesten, die er mee bedoeld worden. Ze worden droog genoemd, omdat ze niet gemolken worden. ‘Ze zijn met verlof,’ zegt mijn boer. 

Met Jouke, de hond, in mijn kielzog, fiets ik er heen. Een koude regen slaat ons in het gezicht. In de grijze verte van de kale weilanden, staat een kleumerig groepje koeien. De dieren die gemolken worden, zijn vorige week opgestald voor de winter.

Na vijf minuten parkeer ik de fiets tegen het transformatorhuisje en banjer door de drek. De drogen komen er loeiend aan hollen. Ik inspecteer het gras. Hebben ze nog wel genoeg? Ik moet er straks wat zinnigs over kunnen zeggen.
Dan tel ik de koeien en inspecteer de sloten. Er heeft er geen per abuis gekalfd en er zit ook geen dier in de sloot. Maar dan komt het moeilijkste: vanavond zal mijn boer ook vragen of er drogen zijn, die op het punt staan af te kalven, want dan moet hij ze ophalen.

‘Je moet gewoon kijken welke bloei op de uier hebben.’
‘Bloei op de uier?’
‘Grote, blozende uiers geven aan dat een koe bijna moet kalven.’
Dat heeft hij me al eens verteld, maar in de praktijk vind ik het niet zo duidelijk.

Ik struin wat rond en kijk tussen de benen van de dames. Inmiddels is Jouke ook gearriveerd. Hij trekt aan de poot van een dode gans. De gans heeft geen kop. Dat is raar. Ik zie hem ook nergens liggen. Even sta ik in dubio of ik de hond moet vermanen. Maar waarom eigenlijk? Laat de natuur haar gang maar gaan.

Ik ga verder met mijn uieronderzoek. Twee koeien hebben gladde, grote uiers, die bovendien nogal roze zijn. Met wat dichterlijke vrijheid, zou je ze wel bloeiend kunnen noemen. Ik noteer hun nummer in de WhatsApp. Dan vergeet ik ze niet en typ er bij: ‘Deze moeten misschien bijna afkalven. Alles okay. Wel wat ontevreden.’
Zo. Deze klus is geklaard.

‘Kom Jouke!’
Samen lopen we naar de fiets. Jouke sleept de gans met zich mee. Voor de openbare weg wordt me dat toch te gortig, dus ik schreeuw dat hij los moet laten, wat hij natuurlijk niet doet. Daarom schop ik het beest maar in de sloot, terwijl ik de hond aan zijn halsband vasthoud.

‘Wat is er met die vogel?’ hoor ik dan iemand op verontwaardigde toon vragen.
O jee, waarschijnlijk een dierenvriend, denk ik.
‘Niets hoor,’ En ik voel me, om duistere redenen, nog schuldig ook. ‘Hij is dood.’
‘Weet je het zeker?’
‘Zijn kop is er af.’
‘O.’
‘Dag meneer.’

Terug hebben we wind mee. Boven ons gakt een groepje ganzen. Nog even en het land is weer helemaal van hun.


Groentje



donderdag 1 december 2016

Bij de Amish



‘Gaan we bij de Amish?’ vraagt mijn dochter.
‘Ja,’ zeg ik gekscherend, ‘vanaf nu zal je een kapje moeten dragen.’
Aanleiding voor haar vraag is het rijtuigje, dat naast onze honderdzeventig paardenkrachten-tellende tractor en veertig kuub opraap-wagen  staat geparkeerd.
Mijn boer leert namelijk mennen, want we hebben Friese paarden en wat zou het leuk zijn, als we die voor ons karretje konden spannen! Vanmiddag gaan we voor het eerst uit rijden.
‘Ga je mee?’ vraag ik aan de dochter.
‘Echt niet. Ik schaam me dood!’

Mijn boer en ik spannen samen Pronkje, de merrie, in. Het is een wirwar van leertjes en riemen. Alles heeft zijn functie en moet op een specifieke manier bevestigd worden. Er zit een eeuwenlange geschiedenis achter zo’n tuig, realiseer ik me. Mensen hebben het steeds weer aangepast en verbeterd. Pronkje blijft geduldig staan, terwijl wij aan haar sjorren en friemelen.
‘Tsja Pronkje, dan had je maar geen paard moeten worden,’ zeg ik, terwijl ik tegen haar flank leun.

Maar even later draven we vrolijk met zijn drieën over de weg. Hond Jouke geeft blaffend te kennen ook mee te willen.
‘Ho,’ zegt mijn boer en ons rijtuigje stopt. Als Jouke er in wil springen, doet het paard echter weer een paar stappen. Dus Jouke springt mis.
‘Ho Pronkje.’
Nu staat ze stil.
‘Kom maar Jouke!’
Jouke springt en weer loopt Pronkje weg.
Jouke raakt van slag, waarop ik hem weer begin te roepen. Pronkje vraagt zich nu waarschijnlijk af, of ik het tegen háár heb: ze wordt onrustig en draait alert met haar oren. Toch houdt ze halt. Jouke springt aan boord en gevieren vervolgen we onze weg. De koeien bij de sloot, kijken ons na. Ik kriebel Jouke even in zijn nek en krijg een lik terug.

In de film lijkt het altijd zo simpel als een cowboy zijn paard de sporen geeft, of een gezelschap per koets door de stad sjeest. Maar voordat een beest doet wat je wilt, moet je eerst contact met hem maken. Je moet inspelen op zijn individuele eigenaardigheden. Het is altijd een beetje geven en nemen.
Het leven is wel heel mechanisch geworden, bedenk ik me. Vroeger hadden mensen ook veel meer fysiek contact met dieren. Ze moesten ze steeds aanraken. Al die warme lijven. Nu drukken we op knoppen. Wat doet dat met ons?

Zo laat ik, al mijmerend, de weilanden aan me voorbij gaan. Dan breekt de zon ook nog door en koesteren we ons in haar stralen.
‘Rustig Pronkje, rustig, dat is maar een eend,’ zegt mijn boer, als er een woerd uit de slootkant opspat. Hij legt een arm om mijn schouder en vraagt hoe ik het vind.
‘Heerlijk,’ zeg ik en kruip lekker tegen hem aan.
Ik ben een moderne vrouw en ik ga beslist geen kapje dragen, maar zo nu en dan wil ik best even voor Amish spelen.

Groentje

vrijdag 18 november 2016

Vallende Blaadjes




Koeien mogen dan teveel mest produceren, maar in het dagelijks leven staat de strijd tegen vliegenpoep hoger op mijn agenda. Ik heb net de goten schoongemaakt en ben nu mismoedig ramen aan het lappen. Dat was al nooit mijn hobby, maar op de boerderij vind ik het helemaal een crime. En dan hebben wij ook nog een biologische melkveehouderij, wat onder meer inhoudt dat we niet spuiten tegen ongedierte. Dat is heel nobel, maar ik wordt gek van de vliegen. En vooral van de vliegenpoep!

De witte kozijnen zijn bedekt met een bruine laag. Er is al een half uur om en ik heb nog elf ramen te gaan. Misschien moet ik een schuursponsje halen en de fles Cif. Dat is natuurlijk funest voor het schilderwerk, maar nood breekt wet.
‘Kom op meid,’ spreek ik mezelf toe. ‘Stel je niet aan. Het de laatste vliegenpoep van het jaar. De zomer is voorbij.’

Zucht.

Er zijn inderdaad nauwelijks vliegen meer. Geen idee waar ze uithangen. Ik ga ervan uit dat ze dood zijn. Ook de zwaluwen zijn weg. Die kunnen niet leven zonder vliegen en zijn naar Afrika vertrokken. Spinnen zijn er opeens wel veel en dat is gek: spinnen eten toch ook vliegen? Van het bovenste kozijn zakt er één, aan een lange draad, naar beneden.
‘Pas op hé, niet poepen!’ spreek ik hem toe.

Dan zie ik, door de warme spiritusdampen heen, mijn boer binnen komen. Ik laat meteen de spons in het sop plonzen en klim van het trapje: hij zal me opvrolijken.
Mijn boer was met de verlichting in de stal bezig. Er zijn een paar dure lampen kapot. Deze geven een speciaal licht, dat moeten voorkomen dat de koeien in een winterdip raken.

‘Heb je al koffie?’ vraagt hij, zodra ik een voet over de drempel zet.
Daar word ik dus niet blij van.
‘Natuurlijk niet,’ snauw ik, ‘ik sta al een half uur te poetsen op één kozijn! Kun je zelf niet eens een keer koffie zetten?’
‘Nou, nou,’ sust mijn boer, ’heb je last van vallende blaadjes?’
‘Inderdaad ja.’

‘Misschien moet je vanavond tussen de koeien in de stal gaan liggen. De lampen zijn weer in orde. Tot elf uur kun je in een heilzaam licht baden. Daar knap je vast van op,’ oppert hij, met een uitgestreken gezicht. ‘Je vriendin draagt ’s winters toch iedere avond een lichttherapiebril, tegen haar depressies?!’

Ik moet nu toch wat lachen.

‘Wat zou je zeggen van een tripje naar het zuiden?’ vraagt mijn boer dan, nu met pretlichtjes in zijn ogen. ‘De drukte van de zomer is achter de rug. We kunnen er best even tussen uit. Lekker de zwaluwen achterna!’
‘Meen je dat?’ roep ik blij. En ga meteen koffie zetten.

Die avond vind je me niet in de stal. Ik vertoef in het weldadige schijnsel van mijn laptop, surfend op allerlei exotische reissites. Wat knap je daar van op!


Groentje




dinsdag 18 oktober 2016

Want van u is het Koninkrijk



‘Jullie kunnen ons boeren niet begrijpen,’ zei een boerin tegen mij, toen ik voor het eerst met een uitje van de melkcoöperatie mee was.
‘Waarom niet?’ vroeg ik verbijsterd.
‘Het is een manier van leven.’

Ik vond dat een nietszeggend antwoord: iedereen heeft ‘een manier van leven’. Ik was ooit manager van een uitvaartonderneming. Het is nooit in me opgekomen om te zeggen: jullie boeren kunnen niet begrijpen hoe wij uitvaartmanagers leven.

In boerenkringen worden niet-boeren vaak met de term burgers aangeduid. Ik associeerde dat woord in eerste instantie met de Franse Revolutie in de achttiende eeuw, toen de burgers in opstand kwamen tegen de monarchie.

Maar er zit misschien wel iets in de vergelijking tussen boeren en koningen. Boeren zijn officieel ondernemers, maar voor hen is erfopvolging, net als bij koningen, nog steeds de norm. En evenals hun adellijke tegenhangers, zijn boeren baasjes die zonder land niets voorstellen. Financieel zijn er ook overeenkomsten: een wereld aan land, gebouwen en beesten, maar geen geld.

‘Kijk dat land was vroeger van Pieter Minnertsma. Vader heeft het toen verkocht aan Siemen Tamminga en die heeft toen die sloten gegraven. Hantsje Reitsma was het daar niet mee eens, want die dam was van hem en…’ Aan het woord is de moeder van mijn boer. We zitten met zijn allen in de auto. Alle landerijen die we passeren, worden uitgebreid becommentarieerd, want bij iedere hectare hoort een verhaal.

Ik laat het relaas gelaten over me heenkomen. De rest van het gezelschap luistert echter aandachtig. In mijn familie worden dit soort verhalen nooit verteld. Mijn vader was timmerman en bezit speelt in onze kringen nauwelijks een rol.

En dan de erfopvolging. Vorige week moest zoonlief voor school, de missie van ons bedrijf formuleren. De leraar van de hogere landbouwschool gaf een voorbeeld: ‘Missie: Met een rendabele bedrijfsvoering de continuïteit van de onderneming waarborgen.’ Ik denk dat de meeste studenten deze zin zo over konden typen.
Voor veel boeren is dit ideaal echter niet meer haalbaar en dat wordt betreurd: er staat een manier van leven op het spel, zeggen ze.

Wij rijden gezamenlijk verder en komen weer langs een boerderij. ‘Te koop’, staat er op een bord bij de oprit.
‘Zij ook al,’ kreunen mijn medepassagiers. ‘Wat verschrikkelijk. Maar ja, hij heeft het bedrijf ook niet doorontwikkeld. En hij kon ook niet met zijn broer samenwerken, heb ik gehoord. Ja, Klaas heet die. Hij is getrouwd met Trientsje. Je weet wel, uit Sondel, van Auke en Durkje….’

‘Zijn ze failliet?’ vraag ik.
‘Nee dat niet. Boeren gaan niet failliet. Ze stoppen, omdat het niet meer uit kan en dan verkopen ze de boel en hebben ze opeens weer geld.’
‘Maar dan is het toch niet zo erg?’
‘Dat vind jij!’

Ik kijk naar het jaren zeventig woonhuis, de trampoline in de tuin en de grote ligbox er achter. Er is geen koe te bekennen. De bijbehorende kavel ligt er strak bij. In het eentonig Engelse raaigras tuft een tractor: de boer waarschijnlijk.
Verder zie ik alleen maar een paar zwarte kraaien.


Groentje




zondag 4 september 2016

Koeienkonten en de Kosmos




Als boer zie je koeien vooral van achteren. Daar gebeurt alles wat van economisch belang is: melken en reproduceren. Je zou bijna vergeten dat koeien prachtige koppen hebben: met goedmoedige, grote ogen, zachte neuzen en pluizige oren. Vooral met horens hebben ze een mooie, kalme waardigheid over zich.

Wij laten sinds kort de horens weer groeien. Het ont hoornen is een grote ingreep voor kalfjes. Ze hebben er een paar dagen hoofdpijn van en zijn in die periode kwetsbaarder voor ziektes. Volgens de biodynamische leer staan horens in contact met de kosmos.

Daar bedoelen ze ‘het grotere geheel der dingen’ mee, stel ik me zo voor: dat alles met alles te maken heeft. Volgens de nieuwste inzichten zijn horens bijvoorbeeld van belang voor de mineralenhuishouding van een koe. Koeien zouden zonder horens, meer klauwproblemen hebben. Dat zijn pijnlijke poten, doordat de hoeven niet zo sterk zijn.

Dat horens toch meestal verwijderd worden, heeft natuurlijk te maken met het feit dat deze gevaarlijk kunnen zijn. Gelukkig hebben onze koeien veel ruimte en verwonden ze elkaar eigenlijk nauwelijks. Ons vallen ze ook niet aan. Daarom laten we de koe haar kroon tegenwoordig houden.

Op dit moment ervaar ik weinig majesteitelijks aan ons mooie vee. Ik loop, achter heel veel koeienkonten, richting stal. Het pad is glibberig van de uitwerpselen en de beesten zijn niet vooruit te branden. Misschien komt het van de hitte. Een paar dames zijn gewoon midden in de stoet gaan liggen. Op mijn ‘heu’ geroep, reageren ze niet meer.

Ik probeer allerlei geluiden uit en schreeuw, sis, grom, alles om hun aandacht te trekken en ze aan te sporen dóór te lopen. Misschien heeft de leidster van de koppel besloten dat het tijd is voor een pauze. Wie zal het zeggen? Haar gehoorzamen ze beter dan mij.

‘Ja maar, opstaan!’ schreeuw ik en geef een schopje tegen een rood-witte flank. Het beest kijkt me lodderig aan, maar hijst zich, uit goedertierenheid zo lijkt het, toch maar overeind. Haar vriendinnen komen nu ook in beweging. Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd en herhaal:
‘Jamaarrrr dames, doooorrrrlopen!’

Maar wanneer ze eindelijk in de benen zijn, moet er eerst weer uitgebreid gepoept en geplast worden. De staarten gaan langszij en de stront spettert tegen mijn blote kuiten.
‘Heu, heu!’

Ik loop hier al meer dan een uur en we zijn er nog lang niet. Jouke de hond rent achter een haas aan. Als hij zijn energie nu eens op de koeien botvierde!  De haas speelt met hem, laat hem dichtbij komen en rent dan weer weg. Jouke kansloos achterlatend.

Mijn boer wilde de koeien graag wat vroeger in de stal, omdat het weer tijd is, staarten te scheren en uiers te branden. Vooral dat laatste klinkt eng en zo ziet het er ook uit, maar voor de koeien is het niet erg. Er wordt snel een vlam langs de uier gehaald, zodat de haartjes weg schroeien. Zo blijft de uier mooier schoon. Eigenlijk net zoals de Turkse kapper dat doet met oorharen. Koeienstaarten zijn ook verzamelplaatsen van viezigheid, vandaar dat die met een tondeuse netjes worden gehouden.

Ik klap in mijn handen, stamp met mijn laarzen en roep:
‘Heu! Ja maar! Kom op! Doorlopen!’
Naast me sjokt de stier, totaal ongevaarlijk door uitputting. Dat krijg je van een hele dag seksen.
‘Heu!’

Tergend langzaam schuifelt de kudde vooruit. Jouke zoekt verkoeling in de dreksloot. Zijn kop dobbert in het eendenkroos.

We komen te laat.

Nou ja, denk ik, in het licht van de kosmos zal het allemaal niets uitmaken.


Groentje



maandag 22 augustus 2016

Omweiden




Ik krijg een duw tegen mijn been. De koe achter me vindt blijkbaar dat ik niet snel genoeg ben. Ik loop over het betonpad, midden in de lange sliert koeien, die na het melken weer terug naar hun weiland wandelen, om daar de nacht door te brengen. Mijn doel ligt in dezelfde richting. Ik ga bramen plukken met mijn boer.

Het is midden augustus, maar er hangt een wat dampige, herfstige sfeer in de lucht. Het schemert ook al, terwijl het nog geen negen uur is. Een kolonie kraaien maakt zich op om op stok te gaan, in de hoogspanningsmast.

De koeien zijn laat: onze nieuwe melker is nog erg langzaam. Dat is niet zo mooi, want nu hebben ze al uren niet gegeten en koeien moeten voortdurend eten om melk te produceren.

Als de dames (en een enkele heer) in het weiland van bestemming aankomen, beginnen ze te loeien. De dieren die nog onderweg zijn, loeien terug. Hun communicatie gaat waarschijnlijk over het gras, waarin ze de nacht zullen doorbrengen en ze zijn duidelijk niet tevreden. Bovendien hebben ze mijn boer in het vizier: hij is bij machte om ze toch een vers stukje land te geven. En wie weet: als ze maar stennis genoeg schoppen…

 ‘Er staat op zich nog wel genoeg gras, maar het is niet ‘nieuw’ meer. Ze hebben hier vanmiddag ook al gelopen. Ook is er natuurlijk behoorlijk in gescheten en dat vinden ze niet smakelijk,’ verklaart mijn boer de onrust.

Het weiden van koeien is nog een hele kunst. Ze moeten steeds genoeg gras hebben en krijgen twee tot drie keer per dag een nieuw stuk land. Het is een roulatiesysteem: als ze alle percelen gehad hebben, is het de bedoeling dat ze weer opnieuw beginnen en dat het gras daar weer zover is aangegroeid, dat de hele kudde haar buik weer rond kan eten.

Mijn boer berekent hoeveel gras er groeit, maar er moet natuurlijk ook het één en ander op het gevoel besloten worden. Nu staat hij te peinzen:

‘Ik denk dat ze het stuk ernaast moeten hebben. Ik heb het verkeerd geschat. Er is nogal wat regen gevallen en daardoor zit er minder droge stof in het gras en naar verhouding veel water. Hier kunnen ze veel meer van op. Vergeet niet dat onze koeien het puur van het gras moeten hebben. Wij voeren niet bij. Alleen een beetje natuurhooi, omdat ze anders te dun op de mest worden en grasbrok om ze in de melkstal te lokken. Kortom: een driegangenmenu,’ lacht mijn boer. Dan neemt hij een besluit: ‘Ik ga ze omweiden.’

En hij doet de stroomdraad open, om ze in het volgende perceel te laten. Het is meteen feest: met de staarten in de lucht denderen de koeien hem voorbij. Ik ben even bang dat ze hem omver zullen lopen, maar blijkbaar is er geen gevaar, want mijn boer blijft rustig staan. De dieren die nog via het betonpad aan komen lopen, begrijpen wat er aan de hand is en versnellen hun pas tot het wiegelende sukkeldrafje dat koeien typeert. Hun witte vlekken dansen in het toenemende donker.

Ik kan geen braam meer onderscheiden, merk ik als ik me even later met mijn emmer over de slootkant buig.
‘Zullen we maar naar huis?’ vraag ik, ‘het is te laat geworden.’
‘Ik wil nog even controleren of het hek aan de andere kant wel dicht is. Anders hebben we de koeien vannacht misschien op de snelweg lopen.’
Hand in hand lopen we op onze rubberlaarzen door de nacht, met om ons heen het tevreden ‘gris-gris’ van honderden koeientongen in actie.

Fijn dat we ze nog even hebben omgeweid.

Groentje


donderdag 21 juli 2016

Onze Pool




Jarek, onze melker, is weg. Hij is met de noorderzon vertrokken, naar Polen waarschijnlijk, waar hij vandaan komt. Hij huurde het huis naast ons. De huissleutel bungelt in het slot van de deur. Er staan pannen met etensresten op het aanrecht en vieze borden op tafel. Ik ruik aan een halfvol bierflesje: die is vanmorgen nog geopend.

Mijn boer vloekt: Jarek heeft een vooruitbetaald maandsalaris meegenomen. Dat was hem voorgeschoten omdat hij ‘viele Probleme’ had: onder meer een ongewenst zwangere vriendin. Naar dat geld kunnen we fluiten, maar het grootste probleem is: wie moet er nu melken?

Het is moeilijk melkers te vinden. In onze melkstal worden 26 koeien tegelijk gemolken en er kunnen 52 in. Toch duurt het gemakkelijk drie uur voordat ze allemaal aan de beurt zijn geweest. Daarna moet alles nog schoongemaakt. En dat allemaal twee keer per dag. Bij ons melken is dus een dagtaak en Nederlanders zijn hier moeilijk voor te porren. Ook als je er twee parttimebanen van maakt trouwens.

Daar komt nog bij dat mensen uit de agrarische wereld, melken bij ons niet bevredigend vinden. Onze koeien geven, door onze extensieve manier van boeren, namelijk weinig melk: ‘Niks aan, er staat geen spanning op de uier,’ zeggen de jongens. Melken, melken en nog meer melken, dat is het credo in de melkveehouderij en alleen dat geeft voldoening. Geen wonder dat de melkprijs keldert, denk ik dan.

Poolse melkers hebben aan dit alles geen boodschap: hun enige belang is om zo veel mogelijk uren te draaien. Deze instelling heeft tot gevolg dat ze het met kwaliteit en hygiëne niet zo nauw nemen en er geen band met hun ontstaat. Ook de taal is een grote barrière. Ze blijven dan ook nooit lang.

Met Jarek hadden we het beter getroffen, dachten we. Hij was al een jaar bij ons. Mijn boer heeft hem veel geleerd en hij werkte hard en goed. Van een naamloze Pool schopte hij het tot ‘Onze Pool’ en uiteindelijk noemden we hem gewoon bij zijn naam.

De telefoon van mijn boer bliept: het is een WhatsApp van Jarek: ‘Sorry,’ lezen we op de display. Mijn boer vloekt alweer en begint dan zijn adressenbestand na te lopen. Wie kan hij vragen?
Na veel gepuzzel en ook veel inzet van zichzelf en de zoon krijgt hij het voor de komende dagen rond. Voor de langere termijn zullen we een advertentie zetten, of toch via ons netwerk iemand moeten ronselen. Voor de zekerheid belt mijn boer ook maar weer het uitzendbureau dat gespecialiseerd is in Poolse melkers.

Ik ben opgelucht dat hij mij niet vraagt. Ik vind de industriële omgeving van de melkstal, waarin je alleen koeienachterkanten ziet en waar de stront je om de oren spettert, heel onaangenaam. Daarom heb ik het ook nooit willen leren.

Maar ‘nee’ zeggen op de boerderij blijft lastig. Er gebeuren voortdurend onverwachte dingen die moeten worden opgelost. Het is nu zomer en ik vind het heerlijk om met een boekje op het terras te zitten, maar dat voelt natuurlijk niet ontspannen als je huisgenoten zich van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat uitsloven. En nu is onze melker ook nog weg.
Rot Pool, denk ik, geheel politiek incorrect.

‘Ik heb hem geappt,’ zegt mijn boer.
‘Heb je hem de waarheid gezegd?’
 ‘Nee. Ik heb hem gevraagd wanneer hij terugkomt.’
‘Dat meen je niet!’ roep ik stomverbaasd.
‘Ja, wat denk je. Ik houd alles open. Als hij terugkomt, neem ik hem zo weer aan. Wat moet ik anders?’
‘Tsja.’

Ik haal een koud biertje voor mijn boer en neem er zelf ook maar één.


Groentje


dinsdag 28 juni 2016

Prins van het watermanagement



Er staat een zilvergrijze Audi voor de deur, laatste model, glimmend. Geen boerenvisite, dat is duidelijk. Als ik de keuken binnen stap, zit er een goed geklede man aan de eettafel. Hij draagt een kleurig, gestreken overhemd, goed passend jasje en geen stropdas.

Door die laatste observatie concludeer ik dat het niet iemand van de bank kan zijn, of een accountant. Als hij opstaat om me een hand te geven, wordt dat bevestigd. Ik zie een Replay spijkerbroek, een cognackleurige, leren riem en bijpassende puntschoenen. Het zou een belangrijke man binnen Staatsbosbeheer kunnen zijn, of van Het Waterschap. Dat laatste, vermoed ik bij nader inzien, die heren gaan beter gekleed.

Ik geef hem een hand, we stellen ons voor en voilà: het is een Waterschapsman. Het Waterschap is heel belangrijk voor boeren. Er wordt geen sloot gedempt of gegraven zonder hun inmenging. En dan het eindeloze gedoe over waterpeil, waterinlaten, dijken, dammen, gemalen, en wat niet al. De waarde van een weiland wordt er mede door bepaald.

We betalen per jaar ook een vermogen aan Waterschapsbelasting. Ik noemde dat cijfer met vier nullen eens, toen er een Oegandees bij ons op visite was: hij verslikte zich in zijn boterham met kaas. Toen hij echter het wonder van Nederlands watermanagement aanschouwde, boog hij respectvol het hoofd.
 
‘Hoe kan het dat die grote sloot daar hoger is dan deze kleine slootjes, die het weiland in plakjes verdelen? Waarom loopt dat water niet naar beneden?’ vroeg hij, toen we samen onze percelen bezichtigden.
‘Het water uit de kleine slootjes wordt naar de grote vaart gepompt. Daar hebben we gemalen voor. Kijk, dat huisje daar bijvoorbeeld.’
De Oegandees kijkt me verbijsterd aan.
‘En als de gemalen stuk zijn?’
‘Dan komt dit land allemaal onder water te staan.’ Ik zwaai met mijn arm. ‘Maar dat gebeurt niet. Het waterbeheer is heel goed georganiseerd.’

Eerlijk gezegd, was ik me hier ook allemaal niet van bewust, toen ik nog niet op de boerderij woonde.  Koning Willem Alexander deed aan watermanagement, toen hij nog een prins was en dat was een gewichtige zaak. Maar ik dacht dat dat vooral met onze zeedijk te maken had: die mocht natuurlijk niet doorbreken. De hele fijnmazige, infrastructuur van al die slootjes nam ik als vanzelfsprekend aan. Voor mijn boer echter, zijn die slootjes voortdurend een aandachtspunt. Een goede relatie met Het Waterschap daarom ook.

Nu speelt er de volgende kwestie: Het Waterschap heeft besloten dat het, om allerlei redenen, beter is dat een bepaalde sloot gedempt wordt. Dat behoort echter gecompenseerd te worden, om de totale opvang van water in ‘de boezem’ te garanderen. Er is gewikt en gewogen. Vele deskundigen hebben zich over de kwestie gebogen en nu is de conclusie: aan de rand van onze huiskavel, moet een nieuwe sloot worden gegraven. Alleen, mijn boer is het er niet mee eens.

Toch is de sfeer in de keuken uitstekend. Ik krijg koffie ingeschonken van onze medewerkster, die ook helpt met het huishouden en kijkt verwonderd naar mijn boer, die op het puntje van zijn stoel zit te stralen. De waterschapsman hapt met zichtbaar genoegen in een stuk ontbijtkoek.

‘Wat zeg je van een mooie vijver in de tuin?’ roept mijn boer enthousiast.
‘Een zwemvijver misschien wel!’ Hij draait een laptop naar mijn toe en tovert een grillig blokjespatroon op het scherm met Google Maps. ‘Kijk, dit is de boerderij en ik had zo gedacht en toen besloten we dat, als we die inlaat nou zus doen en daar de uitlaat zo. En we compenseren die sloot met zoveel kuub daar.’
De waterschapsman knikt en glimlacht.

Om een lang verhaal kort te maken: ik krijg straks de prachtigste waterpartijen in mijn tuin. En het komt helemaal goed met het watermanagement in onze polder. Daar hoef je blijkbaar geen prins voor te zijn: een boer kan het ook.


Groentje



vrijdag 17 juni 2016

Vakantie en Kopziekte



Ik word wakker in een zonnige hotelkamer. Net als thuis, is de plek naast me leeg. Mijn boer ligt waarschijnlijk al vanaf een uur of zeven in de zee. Of hij heeft een berg beklommen, dat zou ook heel goed kunnen. Hij is niet gewend uit te slapen. Straks zullen we samen ontbijten en tegen de tijd dat ik mijn rugzak aandoe, klaar voor een nieuw avontuur, begint hij te gapen: tijd voor zijn dutje.

En zo gaat het ook vandaag. Ik laat hem lekker slapen en pak een boek. Dan bliept de telefoon. Mijn boer schrikt wakker. Hij heeft met zijn medewerkers afgesproken dat hij alleen in geval van nood gebeld zal worden, dus als dat ding dan gaat… Er volgt een zorgelijk gesprek. Ik hoor iets over koopziekte en koeien.

‘Stom, stom, stom, stom,’ moppert mijn boer.
‘Wie heeft er koopziekte?’ vraag ik nieuwsgierig.
Mijn boer kijkt me geïrriteerd aan: ‘Waar heb je het over?’
‘Koopziekte.’
‘Geen koopziekte maar kopziekte. We hebben twee koeien met kopziekte.’

‘Is dat erg?’
‘Ja. Ze worden nerveus, vallen om, slaan met de poten, doen raar en gaan er vaak dood aan. De oorzaak is magnesiumgebrek. Ze krijgen speciale brok met extra magnesium, maar de jongens hebben per ongeluk een andere gevoerd. Ik zal wel niet duidelijk genoeg geweest zijn,’ zucht hij.
‘Maar waarom hebben ze die toevoeging nodig? Koeien moeten toch van gras kunnen leven?’ vraag ik, ‘Dat zeg jij altijd.’

Hij legt me uit dat de mineralenbalans heel nauw luistert. Het kaliumgehalte in ons gras is relatief hoog. Hierdoor kunnen de koeien niet het magnesium opnemen dat ze nodig hebben. Die twee stoffen werken elkaar namelijk tegen. (We laten de scheikunde maar even achterwege.)

Wij voeren heel weinig krachtvoer en daarom moet de brok die wij onze beesten geven, precies de juiste samenstelling aan mineralen bevatten. Vandaar dat mijn boer ‘brok op maat’ heeft laten maken. Daar krijgen ze iedere dag een klein beetje van, als ze gemolken worden. Tenminste, dat is de bedoeling. De koeien blijken nu de verkeerde brok te hebben gekregen en de eerste ziektegevallen spartelen al op de grond.

‘De veearts komt zo om ze een infuus te geven. ‘ Hij zucht weer en zegt dan: ‘Mijn dutje wordt niets meer. Ik ben klaarwakker. Laten we gaan. Wat wil je doen?’
'Ik wil een nieuwe bikini kopen. Gisteren heb ik een hele leuke gezien, op de boulevard.'

Samen lopen we langs de rekken.
‘Welke zou me leuk staan? Die rode of de blauwe? Ik kan ze ook allebei nemen. Heb je die prijzen gezien?’
Mijn boer is lief en probeert uit alle macht belangstelling op te brengen voor de frivoliteiten die ik hem onder de neus houd.
‘Nou wat vind je?’ dring ik aan, ‘Zal ik ze allebei nemen?’
Hij bromt wat.
‘Wat zeg je?
’Niets,’ zegt hij en glimlacht verontschuldigend.
Ik weet bijna zeker dat ik hem het woord koopziekte hoorde zeggen. Onderzoekend kijk ik hem aan, maar hij is inmiddels verdiept in de whats app

‘Ik heb zin in een ijsje,’ zeg ik dan, om het over een andere boeg te gooien.
Als ik even later aan mijn mango-meloen-ijs loop te likken, denk ik echter nog steeds aan de rode bikini.
Mijn boer hoeft geen ijs en besluit toch even naar huis te bellen.


Groentje




vrijdag 27 mei 2016

Luxepaardje



Als ik uit mijn slaapkamerraam kijk, zie ik een heel fijn, zwart figuurtje naast Foekje, ons Friese paard, staan. Een veulentje! Ik glip in mijn ochtendjas en ren naar beneden. Daar zit mijn boer al aan de havermout.

‘Heb je het gezien? Het veulentje is geboren.’
‘Ja,’ lacht hij. Ik ben er al bij geweest. Het is een merrie en alles is in orde.
‘Hoe zullen we haar noemen?’
Omdat ze een stamboek heeft, is er een verplichte beginletter. In dit geval de: A. Het moet een naam zijn die je met klasse en elegantie associeert, vinden wij. We laten een aantal Friese meisjesnamen de revue passeren: Aaltsje, Aafke, Anne, Aly, Akke… Allemaal te gewoontjes.
‘Adelheid?’ stelt mijn boer voor. Maar nee, dat is weer een beetje te.
‘Alexandra?’ vraagt mijn boer, plotseling enthousiast.’
Ik ben het meteen met hem eens: zo zal ze heten.

Er worden bij ons bijna iedere dag kalveren geboren, maar een babypaardje is toch iets speciaals. Kijk hoe het de hoge beentjes uitprobeert, door meteen de eerste dag al parmantige sprongetjes te maken. En die lange, donkere wimpers boven de glanzende ogen, de aandoenlijke pluisjes op de zacht gebogen hals, die straks tot lange manen zullen uitgroeien. Haar teerheid en kracht: ze is een sprookje!

De andere reden waarom we allemaal vertederd naar dit beest staan te kijken en niet naar het zoveelste kalf, is omdat ze niet voor de productie is bestemd. We hebben haar voor ons plezier. Natuurlijk zal mijn boer, ondernemer pur sang, ook aan onze paarden geld weten te verdienen, maar dat is niet de insteek.

De meeste boeren geven niet om ‘mooi’. Al die grote landbouwmachines en nieuwe stallen moeten terugverdiend worden. Ze zaaien massaal van dat blauwgroene Engels raaigras. Er groeit geen bloemetje tussen en behalve ganzen en koeien (als die al naar buiten mogen) heeft geen dier er iets te zoeken. Alles draait om zoveel mogelijk gras voor de koeien, zodat die steeds meer melk geven.

Mijn boer is naar een bijeenkomst van ‘Silence of the Bees’ geweest. Met dit project wil men de aanplant van kruidenrijk gras stimuleren, zodat insecten en in het bijzonder bijen, weer voedsel kunnen vinden in onze groene woestijnen. De hamvraag van de avond was: hoe kunnen we de boeren hiervoor porren?
‘Ze moeten niet steeds zeggen dat bloemrijke weiden mooier zijn,’ moppert mijn boer, ‘het gaat er om dat biodiversiteit cruciaal is voor ons allemaal. Ze moeten de noodzaak van biodiversiteit benadrukken.’

Ik kijk naar Alexandra, die in een kanten omlijsting van fluitenkruid, bevallig tegen haar moeder aan gaat liggen. Ons luxepaardje.
Is mooi niet noodzakelijk, vraag ik me af. Zou de behoefte en het vermogen om van schoonheid te genieten, niet een belangrijke, misschien wel levensreddende, menselijke eigenschap kunnen zijn? Een eigenschap om veel vaker bij stil te staan, om te ontwikkelen, zodat het weer goed komt met de bijen en met ons?

Ik ga even in het gras zitten. De zon schijnt zo lekker. Foekje slaat met haar staart de vliegen weg. Tussen het grazen door briest ze tevreden. Ik pluk een zuring en steek hem in mijn mond. Terwijl ik langzaam kauw, luister ik naar de wind, die ruist in het riet van de nabije sloot. En dan beginnen de kikkers met een kwaakconcert.


Groentje


vrijdag 1 april 2016

De Bevalling




‘Ik moet straks nog even naar achteren,’ zegt mijn boer, terwijl hij zijn yoghurt oplepelt. ‘Hij had al ontsluiting.’

Voor een boer is een koe een hij, zelfs als ze op punt van bevallen staat. Mijn boer had vanmorgen al gezien dat het bijna zover was. Ze zonderde zich namelijk af van de groep en bij koeien betekent dat altijd, dat er iets aan de hand is.

Wij weten nooit precies wanneer een koe moet kalven, omdat we niet alleen maar kunstmatig insemineren, maar ook stieren bij de koeien laten lopen. En het is natuurlijk niet bij te houden, wanneer eventuele romances worden geconsumeerd. Een koe is negen maanden in verwachting en wordt de laatste zes weken niet gemolken: ze krijgt verlof en verhuist naar de potstal.

Dat is een stal waarin mest wordt opgepot. Op gezette tijden bedekken we de mest met een nieuwe laag hooi. Als het mengsel van mest en hooi een bepaalde hoogte heeft bereikt, wordt de stal geleegd, maar we gooien het mestmengsel niet weg. Deze zogenaamde ruige mest is namelijk heel gezond voor de bodem.

Mijn boer gaat dus naar de potstal alias kraamkamer en ik zeg:
‘Ik loop met je mee. Ik moet toch nog even melk halen.’

 ‘Ik heb die vaars drie dagen geleden selenium gegeven en ik ben bang dat dat te kort dag is,’ reageert mijn boer bezorgd.
‘Wat heeft selenium met bevallingen te maken?’
‘ Koeien van deze klei-op-veen-grond hebben altijd een selenium tekort. Dat zit hier niet voldoende in het gras. Als onze koeien niet op tijd selenium bijgespoten krijgen, is er een grote kans dat de nageboorte loslaat tijdens de bevalling en dan stikt het kalf.’
‘Goh,’ zeg ik, ‘Dat de bodemgesteldheid hier zelfs invloed op heeft.’
‘De bodem heeft invloed op alles.’
‘Ja.’

Samen lopen we door het donker.

Dan slaat hij linksaf. Ik loop langs de ligboxstal naar het tanklokaal. De koeien baden in het licht. Ze staan allemaal op een rij te eten. Terug in huis zit mijn boer achter de laptop, maar hij is nog niet gerust.

‘Er is nog niets gebeurd. In theorie mag het nog wel drie uur duren, maar ik vertrouw het niet. Ik ga toch maar even kijken.’
Ik heb de jas nog aan en besluit mee te gaan.

‘Zie je die paarsrode druiven van de nageboorte? Daarmee wisselen koe en kalf stoffen uit en als je die ziet, moet het kalf er uit.’
Ik tuur naar de uitpuilende vagina van de koe. Ze kromt haar rug, maar loeit niet.

‘Ik zou liever wachten tot je het snuitje en de ogen kan zien. Dan kan de moeder rustig oprekken, maar ik neem nu geen risico.’

Opeens is het donker. De lampen zijn uitgegaan, zoals altijd om half negen.

‘Nee hé! En nu moeten dit type rotlampen een kwartier uitblijven, anders gaan ze kapot. Wat een belachelijk systeem.’ foetert mijn boer. En dan:
‘Nou ja, ik doe ze gewoon weer aan. Op hoop van zegen.’

Hij zoekt zijn weg, tussen de andere aanstaande moeders door, naar de schakelaar en drukt op de knop. We wachten een paar lange minuten. Luisteren naar het geschuifel en kauwen om ons heen. En dan knippen de lampen één voor één, probleemloos, aan.


Onze kraamkoe wordt verlost en begint meteen het glanzende vlies van het kalf te likken. Het is een gezond stiertje. De andere koeien staan onverstoord toe te kijken. We laten moeder en kind een nachtje bij elkaar, kijken nog even naar het oer tafereel en doen dan de lichten weer uit.

Groentje


maandag 7 maart 2016

Lachend Gras



´Zie je, het gras lacht alweer.´
Mijn boer wijst naar de groene zoden en ik zie wat hij bedoelt: het gras is iets gegroeid en met een beetje goede wil, kun je de puntjes zien wuiven in de koele februaribries.
We lopen samen door de zompige weilanden om de greppels te inspecteren. Er schijnt een waterig zonnetje. Het is koud, maar niet meer zó koud en mijn boer denkt aan het komende groeiseizoen.
‘Nu we klaar zijn met greppelfrezen, gaan we mixen en dan kan de gier er op.’

De zoon heeft vorige week de greppels gefreesd. Wat inhoudt dat de greppels, die voor de afwatering van het weiland moeten zorgen, uitgediept zijn. Met een speciale machine is hij ze allemaal bij langs geweest. Mijn boer kijkt schattend naar de lijnen die het groen doorkruisen, maar hij is tevreden: ze zijn mooi recht.

Toen was de grond nog stevig door de nachtvorst. Nu sta ik, op rubberlaarzen, tot mijn enkels in de drek. Bij iedere stap spat het water omhoog. Je kunt nu onmogelijk met een tractor en een giertank van 16 ton het land op, maar mixen kan wel.

Mixen. Eens associeerde ik dat woord met zelfgebakken cake. In het boerenjargon betekent het dat de gier, de poep van de koeien die door de roosters van de stalvloer, in de mestkelder terecht komt, door elkaar gemixt wordt. De vaste stof drijft naar boven en vormt een taaie koek op het vocht, voornamelijk urine. Mijn boer neemt wolken gierlucht mee naar binnen. Na één dag stinkt het hele huis ernaar.

Maar hoe doe je het?

Men steke een soort gigantische staafmixer, van een meter of zes lang, in de put naar de mestkelder; men drukt op de knop en mixen maar! Per put duurt dit vele uren. Daarna kan de gier door een grote slang opgeslobberd worden en in een tank naar het weiland gebracht.

‘De putten goed afdekken,’ heb ik mijn boer duizend keer horen zeggen. Want als iets of iemand in de put valt, wacht hem een vreselijk lot. In de buurt van de put komen, kan al gevaarlijk zijn. Veel boeren zijn gestorven door kwalijke ammoniakdampen.

Hoe kan zoiets gezond zijn voor het gras, vraag ik me af, denkend aan het tere groen dat er straks mee geïnjecteerd zal worden. Geïnjecteerd. Alleen dat woord al! Toch heeft het gras er baat bij. Zolang er niet meer mineralen worden aangevoerd, dan er door de planten kan worden opgenomen.
Overbemesting is schadelijk voor het milieu. Daarom bestaat er in Nederland een strikte mestwetgeving. 

Er is nu vastgesteld dat boeren alleen meer koeien mogen melken, als ze genoeg grond hebben, om hun mest verantwoord over uit te kunnen rijden. De meeste boeren vinden dat niet leuk. Ze worden gedwarsboomd in hun ambitie. Mijn boer deert het echter niet: hij heeft genoeg grond en genoeg koeien. 

Vrolijk plassen we door het weiland. De greppels liggen er mooi bij. Eenden vliegen op uit de sloot wal. Ze hebben al paartjes gevormd. Een haas rent voor ons uit. Nog even en de weidevogels zijn terug. Het gras lacht. Nu de boeren nog!


Groentje

dinsdag 2 februari 2016

Ochtenstond





Zoals altijd word ik wakker naast een lege plek. Mijn boer is al lang aan het werk. Loom ga ik op de rand van het bed zitten. Buiten is het schemerig. Donkere wolken jagen door de grijze lucht, boven een weiland dat er al net zo grauw uitziet.

Even overweeg ik weer lekker onder mijn dekbed te kruipen, maar ik spreek mezelf vermanend toe: acht uur is laat voor een doordeweekse dag en ik heb van alles te doen. Bovendien, welke boerin blijft zo lang in haar nest liggen?

Zuchtend sta ik op. Aankleden is nu te veel gevraagd, dat doe ik wel na het ontbijt. Ik hul me in mijn rood gebloemde ochtendjas en zoek mijn pantoffels.

Voor de keukendeur aarzel ik even. Onze keuken is namelijk geen privéterrein. Aan onze tafel kun je van alles aantreffen: personeel, familie, leveranciers, reparateurs, adviseurs, loonwerkers, handelaren van diverse pluimage, enz. En ja, ook op dit uur van de dag.

Op ieder uur van de dag.

Voor de zekerheid kam ik met mijn vingers mijn haar naar beneden, maar er is niemand. Heerlijk! Ik ga eerst maar eens een sinasappeltje uitpersen. 

Dan hoor ik gestommel en geblaf. Mijn boer komt binnen met de hond. Hij praat luid in zijn mobiel en steekt zijn hand omhoog, bij wijze van ochtendgroet. De hond stuift enthousiast op me af en springt dan, met vieze strontpoten, tegen mijn pyjamabroek.

‘Nee Jouke. Nee.’ bijt ik hem toe, maar ik aai hem vervolgens wel over zijn kop.
‘Volluk!’ klinkt het boven het tumult uit.
De veehandelaar komt binnen. Mijn boer gebaart dat hij moet gaan zitten.
‘Goedemorgen,’ zegt de veehandelaar tegen mij en ‘Niet zulk best weer hé?’ Hij knikt naar het raam.
‘Nee,’ antwoord ik.
‘Tsja,’ reageert hij weer en kijkt ongeduldig naar mijn boer.

Die is nu boos op zijn gesprekspartner, aan de andere kant van de lijn. De verreiker is weer eens kapot, begrijp ik. Dat is een handige machine, die overal voor wordt gebruikt, maar mijn boer noemt het ook wel eens een verarmer. Zo vaak moet de smid ervoor komen.

Ik zal net de veehandelaar koffie aanbieden, als de melker binnenkomt.

‘Groβe Probleme, groβe Probleme,’ prevelt deze, terwijl hij in zijn handen wringt. Onze melker is een Pool. Het is een beste vent, maar er is bijna niet met hem te communiceren. Mijn boer gebaart dat de melker zich stil moet houden.

‘Setze dich,’ zeg ik tegen hem en wijs naar een stoel. Hij gaat zitten. Zijn rode pet met in koeienletters New York er op, legt hij op tafel.
‘Was ist loβ?’ vraag ik. Misschien kan ik iets betekenen.
De melker wijst hoofdschuddend naar mijn boer. Die negeert hem.

‘Hoi.’
Onze Wajongere staat, in druipend regenpak, in de deuropening. Het is een moeilijk bemiddelbare jongere, die onder speciale voorwaarden, bij ons werkt. Hij is precies op tijd.
 ‘Moarn,’ antwoord ik en: ‘Deur dicht alsjeblieft.’

Dan is mijn boer eindelijk uit getelefoneerd en barst het gesprek los. Een potpourri van Fries, Nederlands, Duits en Pools vult de keuken, samen met het aroma van de koffie die in het koffiezetapparaat pruttelt.

Het geeft heel wat drukte zo’n boerderij. Het voordeel daarvan is wel, dat het niemand opvalt, als ik nog niet aangekleed ben.




Groentje

dinsdag 12 januari 2016

Slangengif




Het kalfje ligt stil in het stro. Normaal komen kalveren nieuwsgierig overeind, als er iemand naar ze toe komt. Dit kalf reageert niet. Dat is vreemd. Ik por haar een beetje in de zij, geen reactie. Haar neus voelt koud aan, maar haar ogen zijn wel open en ze kijkt me aan.
Het ene oog heeft zwarte, het andere oog witte wimpers, zie ik. Het is een mooi zwart wit kalfje, een kruising van Holstein Friesian met Blaarkop. Dat zijn meestal sterke beesten. In gedachten noem ik haar Wimpie.

‘Gisteren was hij nog kwikfit,’ zegt mijn boer, die erbij komt staan, ‘Hij heeft gewoon zijn portie gedronken. Ik ben benieuwd wat de veearts er van vindt.’
Dan tilt hij Wimpie uit haar iglo en legt haar op een bult stro. Het arme beest laat ondertussen een melkachtige diarree lopen. De hond komt erbij staan en begint aan de smurrie te likken. Ik jaag hem weg en probeer mijn weerzin te onderdrukken.

‘Misschien heeft ie te veel gedronken gisteren. Of was de melk te vet. Kijk, zijn buik is opgezwollen.’
‘Kunnen ze daar zo ziek van worden?’ vraag ik verbaasd.
‘Dat kan,’ maar misschien is er ook nog wat anders aan de hand.
De veearts vraagt zich dat ook af en na een test, blijkt Wimpie cryptosporidium te hebben. Dat is een ééncellig organisme, waardoor kalveren diarree kunnen krijgen. Dat hoeft overigens niet. Als hun weerstand hoog genoeg is, blijven ze wel gezond.

Vroeger zouden we in zo’n geval meteen antibiotica geven. Daar knappen ze eigenlijk altijd van op. Maar aan antibiotica kleven, op de lange termijn, veel nadelen. Ze veroorzaken resistentie bij bacteriën. Deze immune bacteriën zijn ongevoelig voor antibiotica. Antibiotica die mensen, bij gemene infecties, soms hard nodig hebben. Daarom hebben we besloten voor ons vee geen antibiotica meer te gebruiken. Maar wat doe je dan bijvoorbeeld met een ziek kalfje als dit?

De veearts besluit haar een darmontspanner te geven, samen met cafeïne, als pepmiddel. Ook krijgt ze pyrogenium. Dat is een geneesmiddel op basis van slangengif. Het zou de weerstand stimuleren, zodat Wimpie zichzelf kan genezen. En omdat ze zichzelf niet meer warm kan houden, dekken we haar toe, met stro en een dekentje.

Kalveren kunnen op zich goed tegen de kou, maar in combinatie met vocht en tocht is het dodelijk. We geven ze daarom altijd lekker veel droog stro en zorgen er voor dat de schuifdeuren van de stal ’s winters niet tegen elkaar openstaan. Als extra voorzorgmaatregel heeft mijn boer vandaag kalverbodywarmers gekocht. Echt waar, die bestaan!

’s Avonds is Wimpie dood.

Hebben we de verkeerde keuze gemaakt? Was ze sowieso dood gegaan? Waarom was haar weerstand zo laag? Wat was de directe aanleiding voor haar ziekte?
We weten de antwoorden niet. Toch maar weer antibiotica inzetten bij zieke kalveren, lijkt ons echter niet de oplossing. Het is te gemakkelijk. We moeten nog beter voor ons vee zorgen, zodat ze niet ziek worden. Dat wordt de uitdaging.

Ik ben benieuwd hoe die bodywarmers staan.


Groentje

donderdag 7 januari 2016

Gebakje


‘Kom Jouke!’ roep ik en onze hond springt de deur uit. Als hij op de stoep landt, glijden zijn pootjes onder hem weg. IJzel. Daar had hij niet op gerekend. Zwabberend als iemand die nog moet leren schaatsen, glijdt hij mijn kant op.
We gaan mijn boer helpen een paar hoogzwangere koeien in het strohok te krijgen. Dat is het gedeelte van de stal waar de koeien kalven: van kalfjes bevallen.

‘Oei, wat is het glad,’ roep ik, zodra ik hem zie.
‘Ik hoop dat ze de melk kunnen ophalen,’ reageert hij fronsend.
O ja. Daar had ik nog niet bij stilgestaan. Hoe moet die grote melkwagen van Friesland Campina hier ooit veilig komen? De doodlopende B-weg waar onze boerderij het begin van is, wordt niet gestrooid. Het begin van de weg?

‘Jullie wonen toch aan het eind van de weg?’ zeggen mensen altijd.
En dan is ons standaard reactie: ‘Jullie denken misschien dat wij aan het einde van de wereld wonen, maar wij zien dat anders: bij ons begint het!’ Dat is een erg leuk grapje, vinden wij.
Maar nu terug naar de logistieke problemen.

De roestvrijstalen tank die in ons tanklokaal staat te glimmen is gigantisch. Er kan 24.000 liter in, maar hij is zelden vol. Iedere drie dagen komen ze de melk ophalen. Meestal in het holst van de nacht. Wij horen het niet meer en Jouke neemt ook niet de moeite om te blaffen, als het gevaarte ons erf opdraait.

Als de wagen niet komt, zullen we de melk moeten laten lopen. Duizenden liters.  Niet omdat de tank vol is, maar omdat Friesland Campina alleen verse melk wil afnemen. Zonde! En een financiële strop. We zijn hier niet tegen verzekerd en of de coöperatie het gaat betalen? Daar moeten ze nog over vergaderen.

Glibberend over het erf doen we onze klussen. Bij de koffie horen we op de radio dat heel Noord Nederland plat ligt. Gek eigenlijk: het is één graad onder de nul en het regent een beetje. Meer is er niet aan de hand en toch is het hele moderne leven ontregeld.
Mijn boer weet echter raad. Hij belt een loonbedrijf en die strooien onze hele straat met zand. Dat is sowieso prettig, want dan kan ik ook boodschappen doen, zonder gevaar voor eigen leven.

’s Avonds belt de chauffeur van de melkwagen:
‘Kan ik bij jullie komen vannacht?’
‘Jazeker. De kust is veilig!’

Als ik lekker warm onder mijn dekbed lig en naar de gierende wind buiten luister, denk ik aan de chauffeur. Hij heeft natuurlijk een comfortabele cabine, maar toch.
‘Je zult nu maar al die weggetjes af moeten in het donker,’ zeg ik tegen mijn boer, die met de ogen open naast me ligt.
‘Ik heb een gebakje op de tank gezet,’ antwoordt hij, ‘Dan heeft hij vannacht even iets lekkers.’
‘Wat lief,’ fluister ik geroerd en kruip hem lekker aan. Al gauw hoor ik zijn ademhaling vertragen en ik voel ook bij mij de slaap komen.

Voor geen goud reed ik nu buiten rond, denk ik nog, ook niet voor een gebakje.

Groentje