dinsdag 12 januari 2016

Slangengif




Het kalfje ligt stil in het stro. Normaal komen kalveren nieuwsgierig overeind, als er iemand naar ze toe komt. Dit kalf reageert niet. Dat is vreemd. Ik por haar een beetje in de zij, geen reactie. Haar neus voelt koud aan, maar haar ogen zijn wel open en ze kijkt me aan.
Het ene oog heeft zwarte, het andere oog witte wimpers, zie ik. Het is een mooi zwart wit kalfje, een kruising van Holstein Friesian met Blaarkop. Dat zijn meestal sterke beesten. In gedachten noem ik haar Wimpie.

‘Gisteren was hij nog kwikfit,’ zegt mijn boer, die erbij komt staan, ‘Hij heeft gewoon zijn portie gedronken. Ik ben benieuwd wat de veearts er van vindt.’
Dan tilt hij Wimpie uit haar iglo en legt haar op een bult stro. Het arme beest laat ondertussen een melkachtige diarree lopen. De hond komt erbij staan en begint aan de smurrie te likken. Ik jaag hem weg en probeer mijn weerzin te onderdrukken.

‘Misschien heeft ie te veel gedronken gisteren. Of was de melk te vet. Kijk, zijn buik is opgezwollen.’
‘Kunnen ze daar zo ziek van worden?’ vraag ik verbaasd.
‘Dat kan,’ maar misschien is er ook nog wat anders aan de hand.
De veearts vraagt zich dat ook af en na een test, blijkt Wimpie cryptosporidium te hebben. Dat is een ééncellig organisme, waardoor kalveren diarree kunnen krijgen. Dat hoeft overigens niet. Als hun weerstand hoog genoeg is, blijven ze wel gezond.

Vroeger zouden we in zo’n geval meteen antibiotica geven. Daar knappen ze eigenlijk altijd van op. Maar aan antibiotica kleven, op de lange termijn, veel nadelen. Ze veroorzaken resistentie bij bacteriën. Deze immune bacteriën zijn ongevoelig voor antibiotica. Antibiotica die mensen, bij gemene infecties, soms hard nodig hebben. Daarom hebben we besloten voor ons vee geen antibiotica meer te gebruiken. Maar wat doe je dan bijvoorbeeld met een ziek kalfje als dit?

De veearts besluit haar een darmontspanner te geven, samen met cafeïne, als pepmiddel. Ook krijgt ze pyrogenium. Dat is een geneesmiddel op basis van slangengif. Het zou de weerstand stimuleren, zodat Wimpie zichzelf kan genezen. En omdat ze zichzelf niet meer warm kan houden, dekken we haar toe, met stro en een dekentje.

Kalveren kunnen op zich goed tegen de kou, maar in combinatie met vocht en tocht is het dodelijk. We geven ze daarom altijd lekker veel droog stro en zorgen er voor dat de schuifdeuren van de stal ’s winters niet tegen elkaar openstaan. Als extra voorzorgmaatregel heeft mijn boer vandaag kalverbodywarmers gekocht. Echt waar, die bestaan!

’s Avonds is Wimpie dood.

Hebben we de verkeerde keuze gemaakt? Was ze sowieso dood gegaan? Waarom was haar weerstand zo laag? Wat was de directe aanleiding voor haar ziekte?
We weten de antwoorden niet. Toch maar weer antibiotica inzetten bij zieke kalveren, lijkt ons echter niet de oplossing. Het is te gemakkelijk. We moeten nog beter voor ons vee zorgen, zodat ze niet ziek worden. Dat wordt de uitdaging.

Ik ben benieuwd hoe die bodywarmers staan.


Groentje

donderdag 7 januari 2016

Gebakje


‘Kom Jouke!’ roep ik en onze hond springt de deur uit. Als hij op de stoep landt, glijden zijn pootjes onder hem weg. IJzel. Daar had hij niet op gerekend. Zwabberend als iemand die nog moet leren schaatsen, glijdt hij mijn kant op.
We gaan mijn boer helpen een paar hoogzwangere koeien in het strohok te krijgen. Dat is het gedeelte van de stal waar de koeien kalven: van kalfjes bevallen.

‘Oei, wat is het glad,’ roep ik, zodra ik hem zie.
‘Ik hoop dat ze de melk kunnen ophalen,’ reageert hij fronsend.
O ja. Daar had ik nog niet bij stilgestaan. Hoe moet die grote melkwagen van Friesland Campina hier ooit veilig komen? De doodlopende B-weg waar onze boerderij het begin van is, wordt niet gestrooid. Het begin van de weg?

‘Jullie wonen toch aan het eind van de weg?’ zeggen mensen altijd.
En dan is ons standaard reactie: ‘Jullie denken misschien dat wij aan het einde van de wereld wonen, maar wij zien dat anders: bij ons begint het!’ Dat is een erg leuk grapje, vinden wij.
Maar nu terug naar de logistieke problemen.

De roestvrijstalen tank die in ons tanklokaal staat te glimmen is gigantisch. Er kan 24.000 liter in, maar hij is zelden vol. Iedere drie dagen komen ze de melk ophalen. Meestal in het holst van de nacht. Wij horen het niet meer en Jouke neemt ook niet de moeite om te blaffen, als het gevaarte ons erf opdraait.

Als de wagen niet komt, zullen we de melk moeten laten lopen. Duizenden liters.  Niet omdat de tank vol is, maar omdat Friesland Campina alleen verse melk wil afnemen. Zonde! En een financiële strop. We zijn hier niet tegen verzekerd en of de coöperatie het gaat betalen? Daar moeten ze nog over vergaderen.

Glibberend over het erf doen we onze klussen. Bij de koffie horen we op de radio dat heel Noord Nederland plat ligt. Gek eigenlijk: het is één graad onder de nul en het regent een beetje. Meer is er niet aan de hand en toch is het hele moderne leven ontregeld.
Mijn boer weet echter raad. Hij belt een loonbedrijf en die strooien onze hele straat met zand. Dat is sowieso prettig, want dan kan ik ook boodschappen doen, zonder gevaar voor eigen leven.

’s Avonds belt de chauffeur van de melkwagen:
‘Kan ik bij jullie komen vannacht?’
‘Jazeker. De kust is veilig!’

Als ik lekker warm onder mijn dekbed lig en naar de gierende wind buiten luister, denk ik aan de chauffeur. Hij heeft natuurlijk een comfortabele cabine, maar toch.
‘Je zult nu maar al die weggetjes af moeten in het donker,’ zeg ik tegen mijn boer, die met de ogen open naast me ligt.
‘Ik heb een gebakje op de tank gezet,’ antwoordt hij, ‘Dan heeft hij vannacht even iets lekkers.’
‘Wat lief,’ fluister ik geroerd en kruip hem lekker aan. Al gauw hoor ik zijn ademhaling vertragen en ik voel ook bij mij de slaap komen.

Voor geen goud reed ik nu buiten rond, denk ik nog, ook niet voor een gebakje.

Groentje