dinsdag 28 juni 2016

Prins van het watermanagement



Er staat een zilvergrijze Audi voor de deur, laatste model, glimmend. Geen boerenvisite, dat is duidelijk. Als ik de keuken binnen stap, zit er een goed geklede man aan de eettafel. Hij draagt een kleurig, gestreken overhemd, goed passend jasje en geen stropdas.

Door die laatste observatie concludeer ik dat het niet iemand van de bank kan zijn, of een accountant. Als hij opstaat om me een hand te geven, wordt dat bevestigd. Ik zie een Replay spijkerbroek, een cognackleurige, leren riem en bijpassende puntschoenen. Het zou een belangrijke man binnen Staatsbosbeheer kunnen zijn, of van Het Waterschap. Dat laatste, vermoed ik bij nader inzien, die heren gaan beter gekleed.

Ik geef hem een hand, we stellen ons voor en voilà: het is een Waterschapsman. Het Waterschap is heel belangrijk voor boeren. Er wordt geen sloot gedempt of gegraven zonder hun inmenging. En dan het eindeloze gedoe over waterpeil, waterinlaten, dijken, dammen, gemalen, en wat niet al. De waarde van een weiland wordt er mede door bepaald.

We betalen per jaar ook een vermogen aan Waterschapsbelasting. Ik noemde dat cijfer met vier nullen eens, toen er een Oegandees bij ons op visite was: hij verslikte zich in zijn boterham met kaas. Toen hij echter het wonder van Nederlands watermanagement aanschouwde, boog hij respectvol het hoofd.
 
‘Hoe kan het dat die grote sloot daar hoger is dan deze kleine slootjes, die het weiland in plakjes verdelen? Waarom loopt dat water niet naar beneden?’ vroeg hij, toen we samen onze percelen bezichtigden.
‘Het water uit de kleine slootjes wordt naar de grote vaart gepompt. Daar hebben we gemalen voor. Kijk, dat huisje daar bijvoorbeeld.’
De Oegandees kijkt me verbijsterd aan.
‘En als de gemalen stuk zijn?’
‘Dan komt dit land allemaal onder water te staan.’ Ik zwaai met mijn arm. ‘Maar dat gebeurt niet. Het waterbeheer is heel goed georganiseerd.’

Eerlijk gezegd, was ik me hier ook allemaal niet van bewust, toen ik nog niet op de boerderij woonde.  Koning Willem Alexander deed aan watermanagement, toen hij nog een prins was en dat was een gewichtige zaak. Maar ik dacht dat dat vooral met onze zeedijk te maken had: die mocht natuurlijk niet doorbreken. De hele fijnmazige, infrastructuur van al die slootjes nam ik als vanzelfsprekend aan. Voor mijn boer echter, zijn die slootjes voortdurend een aandachtspunt. Een goede relatie met Het Waterschap daarom ook.

Nu speelt er de volgende kwestie: Het Waterschap heeft besloten dat het, om allerlei redenen, beter is dat een bepaalde sloot gedempt wordt. Dat behoort echter gecompenseerd te worden, om de totale opvang van water in ‘de boezem’ te garanderen. Er is gewikt en gewogen. Vele deskundigen hebben zich over de kwestie gebogen en nu is de conclusie: aan de rand van onze huiskavel, moet een nieuwe sloot worden gegraven. Alleen, mijn boer is het er niet mee eens.

Toch is de sfeer in de keuken uitstekend. Ik krijg koffie ingeschonken van onze medewerkster, die ook helpt met het huishouden en kijkt verwonderd naar mijn boer, die op het puntje van zijn stoel zit te stralen. De waterschapsman hapt met zichtbaar genoegen in een stuk ontbijtkoek.

‘Wat zeg je van een mooie vijver in de tuin?’ roept mijn boer enthousiast.
‘Een zwemvijver misschien wel!’ Hij draait een laptop naar mijn toe en tovert een grillig blokjespatroon op het scherm met Google Maps. ‘Kijk, dit is de boerderij en ik had zo gedacht en toen besloten we dat, als we die inlaat nou zus doen en daar de uitlaat zo. En we compenseren die sloot met zoveel kuub daar.’
De waterschapsman knikt en glimlacht.

Om een lang verhaal kort te maken: ik krijg straks de prachtigste waterpartijen in mijn tuin. En het komt helemaal goed met het watermanagement in onze polder. Daar hoef je blijkbaar geen prins voor te zijn: een boer kan het ook.


Groentje



vrijdag 17 juni 2016

Vakantie en Kopziekte



Ik word wakker in een zonnige hotelkamer. Net als thuis, is de plek naast me leeg. Mijn boer ligt waarschijnlijk al vanaf een uur of zeven in de zee. Of hij heeft een berg beklommen, dat zou ook heel goed kunnen. Hij is niet gewend uit te slapen. Straks zullen we samen ontbijten en tegen de tijd dat ik mijn rugzak aandoe, klaar voor een nieuw avontuur, begint hij te gapen: tijd voor zijn dutje.

En zo gaat het ook vandaag. Ik laat hem lekker slapen en pak een boek. Dan bliept de telefoon. Mijn boer schrikt wakker. Hij heeft met zijn medewerkers afgesproken dat hij alleen in geval van nood gebeld zal worden, dus als dat ding dan gaat… Er volgt een zorgelijk gesprek. Ik hoor iets over koopziekte en koeien.

‘Stom, stom, stom, stom,’ moppert mijn boer.
‘Wie heeft er koopziekte?’ vraag ik nieuwsgierig.
Mijn boer kijkt me geïrriteerd aan: ‘Waar heb je het over?’
‘Koopziekte.’
‘Geen koopziekte maar kopziekte. We hebben twee koeien met kopziekte.’

‘Is dat erg?’
‘Ja. Ze worden nerveus, vallen om, slaan met de poten, doen raar en gaan er vaak dood aan. De oorzaak is magnesiumgebrek. Ze krijgen speciale brok met extra magnesium, maar de jongens hebben per ongeluk een andere gevoerd. Ik zal wel niet duidelijk genoeg geweest zijn,’ zucht hij.
‘Maar waarom hebben ze die toevoeging nodig? Koeien moeten toch van gras kunnen leven?’ vraag ik, ‘Dat zeg jij altijd.’

Hij legt me uit dat de mineralenbalans heel nauw luistert. Het kaliumgehalte in ons gras is relatief hoog. Hierdoor kunnen de koeien niet het magnesium opnemen dat ze nodig hebben. Die twee stoffen werken elkaar namelijk tegen. (We laten de scheikunde maar even achterwege.)

Wij voeren heel weinig krachtvoer en daarom moet de brok die wij onze beesten geven, precies de juiste samenstelling aan mineralen bevatten. Vandaar dat mijn boer ‘brok op maat’ heeft laten maken. Daar krijgen ze iedere dag een klein beetje van, als ze gemolken worden. Tenminste, dat is de bedoeling. De koeien blijken nu de verkeerde brok te hebben gekregen en de eerste ziektegevallen spartelen al op de grond.

‘De veearts komt zo om ze een infuus te geven. ‘ Hij zucht weer en zegt dan: ‘Mijn dutje wordt niets meer. Ik ben klaarwakker. Laten we gaan. Wat wil je doen?’
'Ik wil een nieuwe bikini kopen. Gisteren heb ik een hele leuke gezien, op de boulevard.'

Samen lopen we langs de rekken.
‘Welke zou me leuk staan? Die rode of de blauwe? Ik kan ze ook allebei nemen. Heb je die prijzen gezien?’
Mijn boer is lief en probeert uit alle macht belangstelling op te brengen voor de frivoliteiten die ik hem onder de neus houd.
‘Nou wat vind je?’ dring ik aan, ‘Zal ik ze allebei nemen?’
Hij bromt wat.
‘Wat zeg je?
’Niets,’ zegt hij en glimlacht verontschuldigend.
Ik weet bijna zeker dat ik hem het woord koopziekte hoorde zeggen. Onderzoekend kijk ik hem aan, maar hij is inmiddels verdiept in de whats app

‘Ik heb zin in een ijsje,’ zeg ik dan, om het over een andere boeg te gooien.
Als ik even later aan mijn mango-meloen-ijs loop te likken, denk ik echter nog steeds aan de rode bikini.
Mijn boer hoeft geen ijs en besluit toch even naar huis te bellen.


Groentje