dinsdag 18 oktober 2016

Want van u is het Koninkrijk



‘Jullie kunnen ons boeren niet begrijpen,’ zei een boerin tegen mij, toen ik voor het eerst met een uitje van de melkcoöperatie mee was.
‘Waarom niet?’ vroeg ik verbijsterd.
‘Het is een manier van leven.’

Ik vond dat een nietszeggend antwoord: iedereen heeft ‘een manier van leven’. Ik was ooit manager van een uitvaartonderneming. Het is nooit in me opgekomen om te zeggen: jullie boeren kunnen niet begrijpen hoe wij uitvaartmanagers leven.

In boerenkringen worden niet-boeren vaak met de term burgers aangeduid. Ik associeerde dat woord in eerste instantie met de Franse Revolutie in de achttiende eeuw, toen de burgers in opstand kwamen tegen de monarchie.

Maar er zit misschien wel iets in de vergelijking tussen boeren en koningen. Boeren zijn officieel ondernemers, maar voor hen is erfopvolging, net als bij koningen, nog steeds de norm. En evenals hun adellijke tegenhangers, zijn boeren baasjes die zonder land niets voorstellen. Financieel zijn er ook overeenkomsten: een wereld aan land, gebouwen en beesten, maar geen geld.

‘Kijk dat land was vroeger van Pieter Minnertsma. Vader heeft het toen verkocht aan Siemen Tamminga en die heeft toen die sloten gegraven. Hantsje Reitsma was het daar niet mee eens, want die dam was van hem en…’ Aan het woord is de moeder van mijn boer. We zitten met zijn allen in de auto. Alle landerijen die we passeren, worden uitgebreid becommentarieerd, want bij iedere hectare hoort een verhaal.

Ik laat het relaas gelaten over me heenkomen. De rest van het gezelschap luistert echter aandachtig. In mijn familie worden dit soort verhalen nooit verteld. Mijn vader was timmerman en bezit speelt in onze kringen nauwelijks een rol.

En dan de erfopvolging. Vorige week moest zoonlief voor school, de missie van ons bedrijf formuleren. De leraar van de hogere landbouwschool gaf een voorbeeld: ‘Missie: Met een rendabele bedrijfsvoering de continuïteit van de onderneming waarborgen.’ Ik denk dat de meeste studenten deze zin zo over konden typen.
Voor veel boeren is dit ideaal echter niet meer haalbaar en dat wordt betreurd: er staat een manier van leven op het spel, zeggen ze.

Wij rijden gezamenlijk verder en komen weer langs een boerderij. ‘Te koop’, staat er op een bord bij de oprit.
‘Zij ook al,’ kreunen mijn medepassagiers. ‘Wat verschrikkelijk. Maar ja, hij heeft het bedrijf ook niet doorontwikkeld. En hij kon ook niet met zijn broer samenwerken, heb ik gehoord. Ja, Klaas heet die. Hij is getrouwd met Trientsje. Je weet wel, uit Sondel, van Auke en Durkje….’

‘Zijn ze failliet?’ vraag ik.
‘Nee dat niet. Boeren gaan niet failliet. Ze stoppen, omdat het niet meer uit kan en dan verkopen ze de boel en hebben ze opeens weer geld.’
‘Maar dan is het toch niet zo erg?’
‘Dat vind jij!’

Ik kijk naar het jaren zeventig woonhuis, de trampoline in de tuin en de grote ligbox er achter. Er is geen koe te bekennen. De bijbehorende kavel ligt er strak bij. In het eentonig Engelse raaigras tuft een tractor: de boer waarschijnlijk.
Verder zie ik alleen maar een paar zwarte kraaien.


Groentje