vrijdag 16 december 2016

Uiers in bloei



´Ik ben rond vijf uur terug. Als jij even bij de drogen wilt kijken?’ vraagt mijn boer, voordat hij in de auto stapt.
‘Natuurlijk. Prima!’ roep ik hem na. Ik moet de hele dag aan een opdracht typen en dan is het wel lekker even een frisse neus te halen.

De drogen. Toen ik hier net woonde stelde ik me daar een soort, als rozijnen ingedroogde koeien bij voor. In plaats van de tonnetje ronde, zwangere beesten, die er mee bedoeld worden. Ze worden droog genoemd, omdat ze niet gemolken worden. ‘Ze zijn met verlof,’ zegt mijn boer. 

Met Jouke, de hond, in mijn kielzog, fiets ik er heen. Een koude regen slaat ons in het gezicht. In de grijze verte van de kale weilanden, staat een kleumerig groepje koeien. De dieren die gemolken worden, zijn vorige week opgestald voor de winter.

Na vijf minuten parkeer ik de fiets tegen het transformatorhuisje en banjer door de drek. De drogen komen er loeiend aan hollen. Ik inspecteer het gras. Hebben ze nog wel genoeg? Ik moet er straks wat zinnigs over kunnen zeggen.
Dan tel ik de koeien en inspecteer de sloten. Er heeft er geen per abuis gekalfd en er zit ook geen dier in de sloot. Maar dan komt het moeilijkste: vanavond zal mijn boer ook vragen of er drogen zijn, die op het punt staan af te kalven, want dan moet hij ze ophalen.

‘Je moet gewoon kijken welke bloei op de uier hebben.’
‘Bloei op de uier?’
‘Grote, blozende uiers geven aan dat een koe bijna moet kalven.’
Dat heeft hij me al eens verteld, maar in de praktijk vind ik het niet zo duidelijk.

Ik struin wat rond en kijk tussen de benen van de dames. Inmiddels is Jouke ook gearriveerd. Hij trekt aan de poot van een dode gans. De gans heeft geen kop. Dat is raar. Ik zie hem ook nergens liggen. Even sta ik in dubio of ik de hond moet vermanen. Maar waarom eigenlijk? Laat de natuur haar gang maar gaan.

Ik ga verder met mijn uieronderzoek. Twee koeien hebben gladde, grote uiers, die bovendien nogal roze zijn. Met wat dichterlijke vrijheid, zou je ze wel bloeiend kunnen noemen. Ik noteer hun nummer in de WhatsApp. Dan vergeet ik ze niet en typ er bij: ‘Deze moeten misschien bijna afkalven. Alles okay. Wel wat ontevreden.’
Zo. Deze klus is geklaard.

‘Kom Jouke!’
Samen lopen we naar de fiets. Jouke sleept de gans met zich mee. Voor de openbare weg wordt me dat toch te gortig, dus ik schreeuw dat hij los moet laten, wat hij natuurlijk niet doet. Daarom schop ik het beest maar in de sloot, terwijl ik de hond aan zijn halsband vasthoud.

‘Wat is er met die vogel?’ hoor ik dan iemand op verontwaardigde toon vragen.
O jee, waarschijnlijk een dierenvriend, denk ik.
‘Niets hoor,’ En ik voel me, om duistere redenen, nog schuldig ook. ‘Hij is dood.’
‘Weet je het zeker?’
‘Zijn kop is er af.’
‘O.’
‘Dag meneer.’

Terug hebben we wind mee. Boven ons gakt een groepje ganzen. Nog even en het land is weer helemaal van hun.


Groentje



donderdag 1 december 2016

Bij de Amish



‘Gaan we bij de Amish?’ vraagt mijn dochter.
‘Ja,’ zeg ik gekscherend, ‘vanaf nu zal je een kapje moeten dragen.’
Aanleiding voor haar vraag is het rijtuigje, dat naast onze honderdzeventig paardenkrachten-tellende tractor en veertig kuub opraap-wagen  staat geparkeerd.
Mijn boer leert namelijk mennen, want we hebben Friese paarden en wat zou het leuk zijn, als we die voor ons karretje konden spannen! Vanmiddag gaan we voor het eerst uit rijden.
‘Ga je mee?’ vraag ik aan de dochter.
‘Echt niet. Ik schaam me dood!’

Mijn boer en ik spannen samen Pronkje, de merrie, in. Het is een wirwar van leertjes en riemen. Alles heeft zijn functie en moet op een specifieke manier bevestigd worden. Er zit een eeuwenlange geschiedenis achter zo’n tuig, realiseer ik me. Mensen hebben het steeds weer aangepast en verbeterd. Pronkje blijft geduldig staan, terwijl wij aan haar sjorren en friemelen.
‘Tsja Pronkje, dan had je maar geen paard moeten worden,’ zeg ik, terwijl ik tegen haar flank leun.

Maar even later draven we vrolijk met zijn drieën over de weg. Hond Jouke geeft blaffend te kennen ook mee te willen.
‘Ho,’ zegt mijn boer en ons rijtuigje stopt. Als Jouke er in wil springen, doet het paard echter weer een paar stappen. Dus Jouke springt mis.
‘Ho Pronkje.’
Nu staat ze stil.
‘Kom maar Jouke!’
Jouke springt en weer loopt Pronkje weg.
Jouke raakt van slag, waarop ik hem weer begin te roepen. Pronkje vraagt zich nu waarschijnlijk af, of ik het tegen háár heb: ze wordt onrustig en draait alert met haar oren. Toch houdt ze halt. Jouke springt aan boord en gevieren vervolgen we onze weg. De koeien bij de sloot, kijken ons na. Ik kriebel Jouke even in zijn nek en krijg een lik terug.

In de film lijkt het altijd zo simpel als een cowboy zijn paard de sporen geeft, of een gezelschap per koets door de stad sjeest. Maar voordat een beest doet wat je wilt, moet je eerst contact met hem maken. Je moet inspelen op zijn individuele eigenaardigheden. Het is altijd een beetje geven en nemen.
Het leven is wel heel mechanisch geworden, bedenk ik me. Vroeger hadden mensen ook veel meer fysiek contact met dieren. Ze moesten ze steeds aanraken. Al die warme lijven. Nu drukken we op knoppen. Wat doet dat met ons?

Zo laat ik, al mijmerend, de weilanden aan me voorbij gaan. Dan breekt de zon ook nog door en koesteren we ons in haar stralen.
‘Rustig Pronkje, rustig, dat is maar een eend,’ zegt mijn boer, als er een woerd uit de slootkant opspat. Hij legt een arm om mijn schouder en vraagt hoe ik het vind.
‘Heerlijk,’ zeg ik en kruip lekker tegen hem aan.
Ik ben een moderne vrouw en ik ga beslist geen kapje dragen, maar zo nu en dan wil ik best even voor Amish spelen.

Groentje