woensdag 6 december 2017

Lang leve de Vooruitgang!





Hooggeëerde gast aan onze koffietafel is vandaag Bauke Blabber.
‘Ook een kopje koffie meneer Blabber?’ vraag ik vriendelijk.
Grote hilariteit.
‘Hij heet anders. Ik noem hem zo, omdat hij altijd de sloten voor mij blabbert,’ lacht mijn boer.
Er verschijnen nog meer vraagtekens boven mijn hoofd.
‘Blabberen is geen echt woord. Bauke heeft een fantastische machine die de troep in de sloot opzuigt en in één moeite door over het land sproeit. Ik noem dat blabberen.’

Het is weer de tijd van hekkelen en baggeren. De boeren zijn verplicht voor één november hun sloten schoon te hebben. Als ik de stroopwafels ronddeel, horen we een helikopter. Nieuwsgierig lopen we naar het raam.
‘Dat is Het Waterschap,’ zegt mijn boer tegen mij, ‘ Vroeger kwam de schouwcommissie langs om te controleren of alle sloten in orde zijn, nu vliegt ze over. ‘
Dan gaat het gesprek verder over welke sloten Bauke nog moet doen.

Ik denk aan de verhalen over mijn opa. Hij was boerenarbeider. In de herfst moest hij kilometers sloot handmatig hekkelen. Vaak in de stromende regen en een regenpak had hij niet. Met een grote hark trok hij de wirwar aan waterplanten op de kant. Meter na meter. Dag in dag uit. Bauke zit lekker warm, met een muziekje aan, in zijn cabine.

‘Het is nu toch veel gemakkelijker dan vroeger,’ peins ik luidop.
Dit is voor de mannen het sein, om enthousiast te vertellen over wat de machines van tegenwoordig allemaal kunnen:
‘Ik weet nog dat mijn vader, toen ik klein was, extra vroeg opstond. “Ik ga vandaag De Grote Dertiene en De Elve maaien,” kondigde hij dan plechtig aan. Die percelen waren samen negen hectare. Dat maai ik er nu binnen twee uur af!’
‘Tsja, de maaier van mijn vader was één meter vijfendertig, terwijl die van mij nu zes meter breed is.’
‘Het loonbedrijf werkt met maaiers van negen meter!’
‘Is dat vooruitgang?’ vraag ik. ‘Hebben jullie het minder druk?’

Ik weet het antwoord al: ondanks alle technologische ontwikkelingen krijgen boeren steeds meer werk. Fysiek minder zwaar misschien, maar toch. En om Bauke zo efficiënt mogelijk door te kunnen laten blabberen, rent mijn boer heen en weer om de hekken open en dicht te doen.

Ik herinner me een gesprek met een oude Groninger. Die had  zijn hele leven als boerenarbeider geploeterd. Maar door allerlei nieuwe wetgeving kon hij uiteindelijk een autootje kopen. Ook kreeg hij steeds meer vrije tijd. Hij vertelde me dat hij op een dag, met het hele gezin, in die auto ging toeren. Ze hadden het grootste plezier en reden langs de velden van zijn werkgever. Toen kregen ze de boer in het oog: die was aan het werk. Terwijl zij vrij waren!

‘Het was de mooiste dag van mijn leven,’ zei de man tegen me, ‘Dat was nog eens vooruitgang.’


Groentje

maandag 13 november 2017

Pastorale



 ‘Hoe bevalt het leven aan het voeteneind?’
Dit is een binnenkomertje voor veel mensen uit mijn vorige leven, die me na lange tijd weer spreken. Wij wonen namelijk nogal afgelegen en aan een doodlopende weg.
‘Hier houdt de wereld op,’ zeggen ze.
‘Hier begint de wereld,’ is onze repliek.
‘Het lijkt me zo heerlijk rustig,’ verzuchten vriendinnen als ze bij me op bezoek komen. 
‘Je stukjes over de boerderij zijn ook zo mindfull. Ik lees ze bij voorkeur na een drukke dag op kantoor. Je avonturen met al die beesten, in de vrije natuur, ik kalmeer daar gewoon van!’

Dit soort reacties roepen gemengde gevoelens bij me op, want wij ervaren ons dagelijks leven niet als bijzonder harmonieus en gestaag voortkabbelend. Wij staan ook wel eens, heel modern, stijf van de stress.
Bovendien gaat de boze buitenwereld niet aan ons voorbij. Gisteren werd hier bijvoorbeeld nog een boef ingerekend.

We zaten net met oma aan de zondagse maaltijd, toen we gillende sirenes hoorden. De hond begon als een dolle te blaffen en er volgde een harde klap. Verbaasd keken we elkaar aan en renden naar het raam. Een politieauto had een grijze Opel letterlijk klemgereden. Beide auto’s waren total loss. Er werd een kalende man uit de Opel getrokken. Een kleine poedel sprong achter hem aan.
De man zag er ongevaarlijk uit. Eigenlijk precies zoals de doorsnee wandelaars, die hier graag hun honden uitlaten. Toch sloegen ze hem in de boeien. Toen hij op de achterbank van de politieauto was gezet en de portieren veilig gesloten waren, vielen de agenten elkaar in de armen. Waarschijnlijk hun manier van spanning loslaten.

‘Zullen we vragen wat er gebeurd is?’ opperde ik vanachter de bloempotten.
Maar de vrouwelijke agent liep al richting onze voordeur. Ze moest plassen. Ik vond dat niet passen bij haar robuuste uiterlijk, compleet met kogelvrij vest. Maar goed, dit is geen Hollywood. We hoorden haar walkie talkie op de wc gewoon doorpraten.

Toen ze weer in de keuken stond, vroeg mijn boer wat er aan de hand was.
Dat mocht ze niet zeggen.
‘Dan zal ik nu aan iedereen vertellen dat u mij in vertrouwen hebt  genomen en dat ik niet mag doorvertellen, wat u gezegd hebt,’ grapte mijn boer.
De agente hield zich wijselijk stil, bedankte voor het toiletgebruik en voegde zich bij haar collega’s, die inmiddels in aantal vervijfvoudigd waren.

Het begon buiten steeds meer op een feestje te lijken: bij dat flitsende, blauwe licht.
‘Hoe moet ik nu naar huis?’ klaagde oma, ‘Ik kan er niet langs.’
Maar na een halfuurtje waren alle gerechtsdienaren vertrokken. 

Mijn boer en ik keken nog even een VPRO-documentaire  en gingen toen naar bed. Voor de eerste keer dat ik hier woon, deden we de deuren op slot.


Groentje





woensdag 25 oktober 2017

Wonen aan het Water




Het stortregende de hele nacht. Als ik de volgende morgen uit het raam kijk, staat ons complete weiland blank. Ik heb altijd aan het water willen wonen, maar hier word ik niet blij van.
Mijn boer is ook niet vrolijk. Als ik hem in de schuur tegenkom, ziet hij letterlijk blauw van de kou.

‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik bezorgd.
Hij staat op één been en probeert zijn waterpak uit te trekken. (Een soort plastic overall waar lieslaarzen aan vast zitten.)
‘Ik ben volgelopen,’ klappertandt hij.

Het was een hele schrik vanmorgen: zijn grazige weide veranderd in een zompig moeras. Nou hebben wij, vergeleken met andere boeren, een hoog waterpeil vanwege de weidevogels. Die stellen natte voeten zeer op prijs. Maar nu wordt het hun waarschijnlijk ook te gortig: dit landschap is alleen geschikt voor eenden en meeuwen.

Om het waterpeil te reguleren, maakte mijn boer, samen met Het Waterschap, een plan. Maar er was niet genoeg budget, om alle afvoerbuizen (die het water van de greppels naar de sloten sluizen) van regelschuiven te voorzien. Mijn boer loste dit op, door in plaats van schuiven van tweehonderdvijftig euro per stuk, emmers van anderhalve euro te plaatsen. Die duwde hij voor in de buis en de waterdruk zorgde ervoor, dat de emmer bleef zitten.

Vandaag moest het peil natuurlijk omlaag. Daarom was mijn boer, met waterpak, in de sloot gaan staan om de emmer te verwijderen. Hij boog voorover om er bij te kunnen. Vanwege de hoge waterdruk moest hij flink kracht zetten. En voor hij het wist, gutste het water over de randen van zijn pak: hij liep vol.

‘Dat voelt heel raar,’ zegt hij, nog een beetje sip: ‘en koud.’
‘Het is me wat,’ zucht ik, ‘De greppels zitten zo vol dat de sloten overlopen. Ik zie de dammen niet eens meer!’
‘Het zakt wel weer. Haal jij vanmiddag de koeien op?’

Dat wil ik wel, maar als ik dan, op mijn rubberlaarzen, door het water naar de kudde plas, vraag ik me af of de dieren nu wel snappen waar ze langs moeten.
Ze hebben extra aanmoediging nodig om in beweging te komen.
‘Heu!’ roep ik, ‘Toe maar dames! Lekker badderen!’

Gestaag klossen ze uiteindelijk richting melkstal. Dan komen we in de buurt van de dam waar we over moeten. De koeien zakken tot hun uiers in de drek.

Waar is die dam eigenlijk precies? Straks lopen ze de sloot in. Het lijken wel varkens. Melken zal vandaag lang duren: voordat die uiers schoongepoetst zijn… Volgens mij moeten ze meer naar rechts.
Maar ik heb het nog niet gedacht, of mijn rechterbeen zakt naar beneden en ijskoud water loopt mijn laars in.

‘Nee!’

En dan loopt mijn linker laars ook vol. Ik ben de sloot ingelopen en de koeien niet. 
De rest van onze tocht houd ik me maar stil. Ik loop gewoon achter de kudde aan. Soppend naar huis.



Groentje


maandag 2 oktober 2017

Hooivorken en mobieltjes



Maandag hooi bij Staatsbosbeheer. Bellen van te voren.
Verbaasd kijk ik naar mijn mobiel. Het is een bericht van een mij onbekende Jorrit. Zijn profielfoto is een groene trekker.

‘Heeft Jorrit al gereageerd?’ roept mijn boer, als hij binnenkomt en kijkt mee op mijn telefoon.
‘Hoezo?’ vraag ik bevreemd.
‘Mijn mobiel laadt niet meer op. Hij is vast kapot en daarom gaan de berichten nu via jou.’
‘O. Handig. Zou je niet naar een reparatiewinkel gaan?’
‘Die is pas om half tien open.’

Mijn boer gaat zitten. Zijn handen vruchteloos in de schoot. Hij verwacht een belangrijke telefoontje van de provincie over ganzenschade, de trekker moet gerepareerd, we hebben nog niemand voor het melken vanavond, de verzekering moet nog gebeld, enzovoort. En zonder telefoon heeft hij al die nummers niet paraat.

‘Mag ik jouw mobiel weer even, dan bel ik de winkel, misschien zijn ze eerder open.’
En inderdaad, iemand verzekert hem dat dat zo is.
Koffietijd is hij terug. Stralend zit hij te telefoneren. Naast het stopcontact, want de mobiel moet ‘aan de prik’.  Als het gesprek afgelopen is en we samen met een medewerker en de zoon achter een kopje troost zitten, doet hij verslag van zijn wederwaardigheden.

‘Ze waren niet eerder open. Er kwam pas iemand om half tien. Hij zei: U hebt geluk dat ik niet ziek ben menier. Anders was er helemaal niemand menier. Degene die u gebeld heeft, is met vakantie menier.’
En na vijf minuten had mijn boer weer buiten gestaan. Met een nieuwe telefoonoplader en een nieuw hoesje. 

Het bewijs ligt voor ons op tafel: glimmend en onberispelijk. Dat is een raar beeld, omdat we gewend zijn aan een bevlekt en verkreukeld exemplaar, dat bovendien naar kuil stinkt.

‘Maar is er ook iets gerepareerd?’ 
‘Hij heeft hem schoongemaakt. Er kwam wel een theelepel stront uit het gaatje van de oplader! Maar daar hoefde ik niet voor te betalen: "Omdat u heeft moeten wachten menier," zei die. Goeie vent.’

Boeren en mobiele telefoons. De apparaten zijn erg  handig om de organisatie rond te krijgen, op een bedrijf dat zich over hectares uitstrekt. En wie eenmaal aan die app met koe-gegevens gewend is, wil hem niet meer missen.

Aan de andere kant  zijn de elektronische dingetjes angstwekkend kwetsbaar. Smerige handen beroeren het touchscreen. De grote vingers raken met moeite de juiste, pietepeuterige tekentjes . Ze worden nat en vies, vallen in de gierput of verdwijnen ergens in het gras.

Maar toch: het iconische beeld van de boer met hooivork is verleden tijd. Als er nu een opstand uitbreekt, gooien ze met mobieltjes.


Groentje








maandag 11 september 2017

Hoeveel kip gaat er in een advocaat?



‘Ik bel de advocaat!’
‘Dat zou ik niet doen, ik heb ze al gebeld en één telefoontje kost gauw € 45,-
Gisteren hebben ze hier een uurtje gezeten, om te brainstormen. Dat betekent dat ze €150,- in rekening kunnen brengen, zonder dat ze met iets zinnigs hoeven te komen.’
‘Ze waren ook nog met twee man,’ somber ik, ‘Betekent dat een dubbel tarief?’
‘Ik weet het niet,’ zegt mijn boer, ‘misschien moet ik daar over bellen.’
‘Nee!’ roep ik verschrikt.

Als ik later over het erf loop, denk ik na over dit gesprek. Ongelofelijk dat sommige mensen zulke bedragen kunnen vragen voor hun tijd.
Dan hoor ik een luid gekakel. Het klinkt alsof onze hond Jouke de kippen heeft ontdekt. Het moest er eens van komen. Ik ren naar achteren en als ik bij het kippen aankom, zit Jouke pontificaal tussen het gevogelte. Hij kijkt me schijnheilig aan, de tong uit zijn bek. Argwanend kijk ik rond. Nergens veren of een amechtige kip.

Graskippen zijn het. Ze doen zich tegoed aan de larven en wormen in de koeienvlaaien en voeden op hun beurt het gras weer, met hun mineraalrijke uitwerpselen. Als ze zich rond gegeten hebben, verkopen we ze voor de slacht. De kippen wonen in een hok op wielen, dat elke dag wordt verplaatst naar de plek waar de koeien een paar dagen daarvoor het gras ‘maaiden’. Ze kunnen vrij in en uit scharrelen.

Ik kijk naar de vredig tokkende beesten.

Dan komt Jos, de accountmanager pluimvee, een kijkje nemen en omdat ik in een financiële modus zit, praten we over het kostenplaatje.

‘Deze kippen krijgen perfect uitgebalanceerde bijvoeding,’ zegt Jos. ‘Het is exact afgestemd op hun behoefte. Graskippen zijn niet voor eieren. Dus daar hoeven ze geen bouwstoffen voor. Ze krijgen wel stoffen voor de opbouw van hun skelet. Deze dieren moeten immers kunnen rondlopen.’
‘Zijn er dan ook kippen die geen bouwstoffen voor hun skelet krijgen?’
‘Ja natuurlijk. Dat zijn de gewone vleeskippen. Die hebben geen ontwikkelde botten nodig, omdat ze al na zo’n zes weken geslacht worden.’
‘Echt?’
‘Ja. De marge op één kip is klein, maar een paar cent, dus je streeft altijd naar optimale voerefficiëntie. Je hebt ook niks aan een paar vleeskippen. Pas met meer dan 80.000 begin je een beetje te verdienen.’
‘Niet het inkomen van een advocaat vermoed ik.’
‘Nee, van een kippenboer,’ lacht Jos, ‘Dat is iets heel anders.’

Tot zo ver de waarde of de waardigheid van een kip!
Hoeveel kippen kunnen er wel niet in een juridisch advies, vraag ik me af. Er begint er eentje in de neus van mijn laars te pikken.

‘Je meent heel wat,’ mompel ik tegen de vogel, ‘maar al betaal je met je leven, je bent nog geen juridische belminuut waard.’
Hij kijkt me aan met een scheve kop, alsof hij wil zeggen: jij bent gek. En hij heeft gelijk: het is te gek voor woorden.


Groentje

dinsdag 11 juli 2017

Schuilen



‘Ga jij mee om te wijzen waar dit vee heen moet?’ vraagt mijn boer.
‘Tuurlijk!’
Ik klim het trapje van de vrachtwagencabine op. Als we rijden, heb ik het gevoel dat ik in een glazen huisje boven de weg zweef. Je merkt ook niets van de dieren achterin.
‘Moeten we hier zijn?’ vraagt de chauffeur opeens en wijst naar een stuk land.
‘Uh.’
Ik weet het niet meer. Wat lijken weilanden eigenlijk op elkaar. Maar ik meen een hek en een huis te herkennen.
‘Ik denk het wel,’ zeg ik.

De dieren rennen opgelucht de wagen uit. Dan zie ik dat achterin het perceel, het hek open staat en de koeien zo doorlopen. Dat klopt niet. Ongerust draai ik me om. Maar de motor start en de chauffeur rijdt weg. Daar sta ik. Tot overmaat van ramp begint het ook nog keihard te regenen. Ik bel mijn boer en leg hem de situatie voor. Hij is niet blij.

‘Ik kom straks met een ploegje. De beesten kunnen daar niet blijven. Het kan nog wel even duren.’
‘Maar het regent…’
‘Weet ik.’
Einde gesprek.
De koeien zijn stipjes in de verte geworden. Wat ontzettend stom!
En nu?

Als ik het vee naar het andere stuk land breng, hoeft mijn boer niet te komen en is mijn eer een beetje gered. Maar in mijn eentje lukt dat niet. Misschien kan de boer hiernaast me helpen.
Helaas is hij niet thuis. De boerin wil de deur alweer voor mijn neus dicht doen, als ik vraag of ik misschien even mag schuilen. Ze wijst me een stoel in de keuken toe.
‘Wacht hier maar even.’

Zelf verdwijnt ze, in een geroezemoes van vrouwenstemmen.
‘Wie is daar?’ hoor ik iemand vragen.
‘Je weet wel. Zij van die en die.’
‘Echt? Laat haar er toch in!’

En zo promoveer ik naar een fauteuil in de woonkamer. De gastvrouw blijkt jarig en ze kan er nu niet meer onderuit, me ook een traktatie aan te bieden. Het is een verrukkelijk schuimgebakje van de bakker. Maar die mening wordt door de aanwezige vrouwen, allemaal wat oudere boerinnen, niet gedeeld. Ze klagen er over dat het teveel kruimelt. Ondertussen proberen ze mij uit te horen over mijn boer. Ik ontwijk hun vragen door geweldig over de taart te pochen.

Dan richten de dames zich weer tot de gastvrouw. Wat ze heeft gekregen, willen ze weten.
‘Wel bloemen…,’ wil de vrouw haar opsomming beginnen.
‘Bloemen?!’
Tot mijn verbazing vindt de visite bloemen pure verspilling.
‘Ik ben meteen heel duidelijk geweest,’ stelt er eentje, ‘Daar geven we ons goeie geld niet aan uit.’
Het gezelschap knikt instemmend en ik zie de gastvrouw ineenkrimpen.

Ik voel mij net verplicht het mooie van het krijgen van bloemen te beschrijven, als de telefoon gaat. Het is mijn boer. Ik zag er tegenop hem onder ogen te komen, maar nu ben ik opgelucht.
‘Dag dames. Veel plezier!’

Even later ren ik door de regen: lekker met de mannen achter de beesten aan.


Groentje




dinsdag 30 mei 2017

Grasmaaien



‘Foekje, wat doe jij daar!’
Onze merrie staat voor de schuifpui en kijkt naar binnen.
Dan ontwaar ik nog drie paarden. Op mijn nette gazon! Het zal de bedoeling zijn, want iemand heeft de tuin met een schrikdraad afgebakend. Waarschijnlijk mijn boer. Ik bel hem meteen op.
‘Waarom lopen de paarden in de tuin?’ steek ik van wal, ‘Ze ruïneren de grasmat!’
‘Het moest toch gemaaid? Nu heb je vier grasmaaiers.’

Dit speelde vorig jaar en om herhaling te voorkomen, neem ik vandaag zelf plaats op de zitmaaier. Deze zomer zal ik het gras maaien en reken maar dat de tuin er straks mooi bij ligt! Ik draai aan de sleutel van het contact, om de motor te starten.
Niets.
De accu is leeg.
Ik bel mijn boer.
‘Ik kan nu echt niet komen,’ zegt hij, ‘Ik moet zelf nog tien hectare maaien.’
‘Ja, dat snap ik, maar dit gras moet er ook af, anders komen we er straks niet meer door.’
‘Ik stuur wel even iemand.’
Voor mijn boer heeft de tuin geen prioriteit.

Maar een uur later komt er toch een medewerker met accuklemmen en die heeft de zitmaaier zo aan de praat. Tevreden tuf ik door de tuin en maai mooie rechte strookjes. Dan kom ik op een hobbelig gedeelte. Dat komt nog van de paarden natuurlijk. De maaier stokt en ik geef gas. Opeens ben ik omgeven door rook en ruik ik een schroeierig luchtje. De motor pruttelt vreemd en ik geef nog eens gas.
‘Pfrrrrrrt.’
En er is geen beweging meer in het ding te krijgen.

’s Avonds neemt mijn boer de schade op.
‘Wat heb je gedaan?’
‘Niks. Gewoon gemaaid.’
‘Ja, ja.’ Hij keert de machine om, draait aan wat knopjes en moertjes en start de motor.
‘Ik maai het gras wel. Jij hebt er gewoon geen gevoel voor,’ zegt hij en zonder verder nog naar me om te kijken, begint hij cirkels te maaien.
‘Jij hebt immers nooit tijd!’ roep ik hem toe, ‘en die maaimachine deugt niet.’ Boos loop ik het huis in. Plotseling is het stil en dan hoor ik mijn boer schelden. Een stukje schrikdraad van vorig jaar is in de machine gekomen.

De volgende ochtend kijk ik mismoedig naar de strepen en cirkels. De tuin lijkt wel een landingsbaan voor ufo’s en mijn boer is nergens te bekennen.
Ik zit net met mijn vriendin op het terras, als ik een zware motor hoor. Tot mijn verbijstering komt onze 150 Pk Johnny de hoek om. Mijn boer, hoog in de glazen cabine, zwaait naar ons, laat de frontmaaier zakken en begint met oorverdovend geraas te maaien.

‘Pas op voor de appelboom!’ roep ik en spring overeind, ‘En de rozen. De perenboom. De heg!’ Hij hoort me natuurlijk niet, dus ik ren heen en weer om met gebaren de schade te beperken.
Als hij en het gevaarte verdwenen zijn, zijg ik neer op de bank. Met hartkloppingen. Mijn vriendin kijkt van mij naar de tuin en weer terug.
‘Nou ja, het gras is gemaaid,’ zegt ze en schenkt een kop koffie voor me in.


Groentje




dinsdag 9 mei 2017

Aan de wandel



‘Dat rode kalf is weer aan de wandel. Geen idee waar het uithangt,’ zegt mijn boer.

Sinds we de kalveren drie dagen bij hun moeder laten en daarna nog een dag of tien bij de zorgkoeien, moeten we er vaak één zoeken. We zijn eigenlijk nog niet ingericht op deze nieuwe kalver opfok, maar aan de andere kant hebben we nog nooit zulk best jongvee gehad.
Normaal worden kalfjes bij de moeder weggehaald en krijgen ze biest uit een fles. Wij experimenteren nu met andere manieren. 

Het is bedrijfstechnisch heel onhandig als ze lang bij de moeder blijven, daarom schakelen we de zorgkoeien in.
Dat zijn koeien die vanwege hun gezondheid extra zorg nodig hebben en daarom apart gezet zijn. Nu blijkt dat deze koeien graag als pleegmoeders optreden en de kalfjes er geen problemen mee hebben, ook bij hun drinken. Al gaat er natuurlijk niets boven hun eigen moeder…

‘Ik zal ook even rondkijken,’ zeg ik, ‘Weet je trouwens hoe het heet? Dat vind ik leuk om te weten.’
Mijn boer kent het nummer van het beestje inmiddels uit zijn hoofd en kijkt in de speciale app voor koe gegevens op zijn mobiel.
‘Durkje.  Elf dagen oud. De moeder is van het jersey ras. Ze is een nazaat van de koe die ik naar onze toenmalig buurmeisje heb vernoemd.’

Ik vind het altijd grappig dat de namen van onze koeien een beeld geven van de vrouwen in ons leven. Ik ben zelf ook vernoemd,  in de tijd dat mijn boer verliefd op me werd. Hij durfde het niet te vertellen toen dat kalfje dood ging en gaf een volgend kalfje weer mijn naam. Dat is gelukkig de moeder van vele Groentjes geworden.

Maar terug naar Durkje. Met het daadwerkelijk gebruiken van haar naam, is ze een echte persoonlijkheid geworden.
Als ik over het erf loop, kijk ik tevergeefs naar haar uit. Een medewerker is klaar met het klauw bekappen van een tiental koeien (een soort pedicure) en ik bied aan deze naar de rest van de koppel te brengen. Het regent pijpenstelen, daarom trek ik snel een cape over mijn overall.  De koeien kan de regen niet deren. Opgewekt stappen ze voort. 
Als we bij het oversteekpunt van de openbare weg komen, hoor ik opeens een kinderstemmetje:

‘Mamma kijk. Een Sinterklaasherder.’
Een peuter in kinderzitje wijst naar mij. Haar moeder is van de fiets gestapt vanwege onze oversteek. Opeens ben ik me bewust van mijn vieze kleren, druipende haren en de knalrode, met stront besmeurde, regencape. Zo vertoon ik me liever niet in het openbaar.
‘Dag,’ zeg ik tegen het tweetal, ‘Lekker weertje he?’ en wend me dan snel weer tot de koeien, maar die rennen al naar hun vriendinnen en familieleden.
‘Zijn dat jouw koeien?’ vraagt het kindje.
‘Ja.’
‘Wat een prachtig gezicht, zoveel bij elkaar,’ zegt de moeder.
‘Sorry voor de overlast,’  reageer ik.
‘Geeft niks hoor. Geweldig toch dat dit kan. Échte koeienpoep aan onze wielen!’

Blij met deze leuke reactie loop ik het weiland weer in.
Daar wacht me een verrassing, want tussen de poten van een jersey koe zie ik een roodbont kalfje: Durkje!
Ze moet vanmorgen uit het hok met de pleegmoeders gekropen zijn en met de kudde meegelopen, haar eigen moeder achterna. Zeker twee kilometer! Zo sterk is dus de band tussen moeder en kind. Wat jammer dat wij mensen zo vaak tussen beide komen, pieker ik.

Dartel springt Durkje mijn kant op. Zo fit als een hoentje.

Maar deze Sinterklaasherder wordt er toch een beetje verdrietig van.


Groentje

woensdag 19 april 2017

Die boeren!




‘Wat ben je toch een boer!’

Is dit een compliment of een belediging?

Een domme vraag. Als iemand je voor boer uitmaakt, is dat bijna nooit vriendelijk bedoeld. Ik woon sinds anderhalf jaar op een boerderij, maar toch borrelt er, zelfs bij mij, wel eens een scheldwoord op waarmee boeren door  het slijk worden gehaald.

Dat slik ik dan natuurlijk zo snel mogelijk weer in, maar er liggen meer mijnen verstopt in het maatschappelijk leven, als het gaat om respect voor de boerenstand.

Mijn zussen, bijvoorbeeld, drinken nauwelijks melk meer, want: ‘Dat is zielig voor de stierkalfjes. Die worden als bijproduct zo snel mogelijk af gemest. En sojamelk is trouwens veel gezonder,’ beweren ze.

Ik schiet dan in de verdediging: ‘Onze melk is een prachtig natuurproduct, dat niet ongezond kan zijn. En die stiertjes, die zijn inderdaad maar een kort leven beschoren, maar hoe erg is dat nu helemaal?’

Eerlijk gezegd, weet ik niet precies wat er met die stiertjes gebeurt, nadat de veehandelaar ze ophaalt. Ook heb ik nog geen bevredigend antwoord op de vraag, of kalfjes niet langer bij hun moeder kunnen blijven, dan nu het geval is. Sommige boeren houden hun kalveren wel bij de moeder, maar dat schijnt weer emotionele crisissen te veroorzaken, wanneer na een langere hechting, het kalf alsnog weggehaald moet worden.

Zuivelcoöperatie Friesland Campina geeft boeren voordelen, als ze oudere koeien hebben. Het idee hierachter is, dat de consument negatief staat tegenover het feit dat koeien naar de slacht gaan, zodra ze minder produceren. Daar had ik nog nooit bij stil gestaan. Ik vind het eigenlijk wel logisch dat een boer geen koeien aanhoudt, voor bewezen diensten.

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Er zijn veel onduidelijkheden. Ook ik, de kersverse boerin, moet nog veel uitzoeken, om een positie in het debat te kunnen innemen. Hoewel, debat? Ik ben me veel af gaan vragen, sinds ik op de boerderij woon, maar krijg ik veel vragen uit mijn persoonlijke omgeving?

Mijn ‘bewuste’ zusjes, overige familieleden en vriendinnen, vragen me nooit naar onze bedrijfsvoering. Ze tonen geen belangstelling voor de keuzes die we maken, als het gaat om dierenwelzijn en milieu. Is dat uit gebrek aan nieuwsgierigheid, of willen ze me niet in verlegenheid brengen? Als ik, op mijn beurt, boeren vraag, waarom ze bijvoorbeeld de koeien niet weiden, krijg ik een afwerende reactie. Meestal in de trant van: waar bemoei je je mee.

Ik vind dat iedereen zich met de boeren moet bemoeien. En de boeren moeten zich in hun medemensen en in de andere levende wezens om hun heen, verdiepen.

Waarom?

Als ik uit het raam kijk, zie ik ons weiland. Maar eigenlijk is het niet alleen van ons. Het is de leefwereld van allerlei vogels en dieren. Daarnaast vormt het ook nog het landschap. Allerlei mensen kijken er op uit, fietsen er doorheen, wandelen er in, of ergeren zich er aan.

Maar het allerbelangrijkste is dat landbouw over eten gaat. En je bent wat je eet, nietwaar?


Mensen die dat ontkennen, die zijn pas dom.


Groentje

Feestje



Ik rijd terug van een feestje en luister naar de radio. Het gaat over de kabinetsformatie. Plotseling zie ik witte vlekken in het schijnsel van mijn koplampen. Het duurt even voor ik me realiseer dat het pinken zijn. Ze zijn ontsnapt uit de stal en nu op weg naar het dorp. En de snelweg.
Nee! denk ik, nee hé! Ik heb zo’n zin om nog even op de bank te liggen. Een laatste glaasje wijn. Beetje zappen.

Mijn boer is al lang in diepe rust en moet morgen om vier uur melken. Ik daarentegen, kan uitslapen en heb de hele avond plezier gemaakt. Het lijkt daarom niet meer dan fair, dat ik deze klus ga klaren. Alleen gaat me dat echter nooit lukken, maar misschien kan onze medewerker helpen? Ik zag bij hem nog licht branden.

Even later rennen we gezamenlijk achter het vee aan.
Wie denkt dat koeien suffe dieren zijn, heeft het mis. En dan zijn pinken natuurlijk ook nog de pubers onder de koeien. Ze maken er vannacht in ieder geval een feestje van: lekker door de bosjes rauzen, met een clubje heel intimiderend richting spoorwegovergang hollen, op de kuilbult klimmen, het kan niet op.

Misschien dat Holstein Friesians (HF's) makker zijn? 
(HF is in Nederland verreweg het meest voorkomende koeienras, omdat dit type wereldkampioen melkproductie is.)

Ik vraag het me af, omdat dit allemaal drie-weg-kruisingen zijn:  Holsteins Friesians gekruist met Blaarkoppen, maar soms ook met Jersey of Brown Swiss. 

Kruisingen zijn taaier en hebben minder zorg nodig dan raszuivere dieren. Ik vind ze ook mooier: niet zo knokig als HF's en ze hebben prachtige koppen, met heel eigen  gezichtsuitdrukkingen. Ze zijn een fascinerende mengelmoes.

Eigenlijk zien ze er modern multi-culti uit en daar houd ik van. Dat is ook de reden waarom ik deze formatie  zo spannend vind: de meeste mensen voelen dat anders, die vinden verscheidenheid maar lastig.

Dan zie ik een pink, helemaal alleen, het weiland inrennen. Ze wordt al gauw door het donker opgeslokt.
‘Waarom blijf je niet bij je soortgenoten?’ foeter ik luidop: ‘Je bent een kuddedier verdorie! Wilders zou wel raad weten met jou. Rutte trouwens ook. Doe normaal!’

Op hetzelfde moment stap ik met mijn suède hakjes in een drekpoel. Het koude water bekruipt mijn voeten en mijn hoofd duizelt, hoewel ik toch echt maar twee drankjes heb gehad.

Wilders heeft trouwens ook wat van een kruising. Ha! Die gedachte vrolijkt me weer op: het is ook allemaal zo bizar. Daarbij: deze pinken zijn gewoon uit hun doen, kruising of niet.
‘Heu heu!’ roep ik en keer, net op tijd, een lichtbruin exemplaar, met opvallend schuine ogen.

Uiteindelijk krijgen we alle dieren op stal. Ik ben doodmoe en ga meteen naar bed.
‘Leuk feestje?’ mompelt mijn boer, als ik bij hem onder de wol kruip.

‘Ja hoor, dolle pret,' zeg ik, druk een kus op zijn achterhoofd en knip het licht uit.


Groentje

dinsdag 28 maart 2017

Wie is de Mol?




‘Kan het wat zachter?!’
Wie is de mol? is op tv. Een spelprogramma waarbij kandidaten moeten samenwerken, maar één van hen, in het geheim, de boel saboteert: dat is de mol. Geen sympathieke rol.

Boeren houden ook niet van mollen. Mijn boer bijvoorbeeld, is helemaal voor biodiversiteit, maar toch zit de mollenvanger bij ons aan de koffie. Ik ken hem als jager en heb al meerdere keren doodgeschoten ganzen van hem in ontvangst mogen nemen. Die hangen dan op de kop bij ons in de stal, totdat mijn boer ze slacht.
‘Zo heb je zelfs iets aan ganzen,’ zegt hij glunderend als we weer eens achter een bord met ganzenborst zitten.  ‘Als iedereen nu gans at in plaats van kip, hadden we een probleem minder…’
Maar terug naar de jager annex mollenvanger.

Ik had me een mollenvanger oud en krom voorgesteld, als een personage uit de romans van Charles Dickens. Maar dit is een Jan-doorsnee.
‘Ik dacht dat hij een jager was,’ zeg ik.
‘Dat mollenvangen doet hij voor mij, om ook op andere dieren te mogen jagen.’
‘Dus zelfs het jagen op mollen staat in minder aanzien dan bijvoorbeeld het jagen op ganzen? Komt dat omdat het dieren zijn, die ondergronds leven en in het duister rondtasten?’
‘Nou nee, zegt mijn boer. Jagers vinden schieten leuk en mollen vang je met klemmen, of met een steekschop. Dat is minder sportief. Al is het wel moeilijk. Op een goede mollenvanger moet je zuinig zijn.’

Het wordt warmer en de grond zachter en daarmee komen de mollen dichter naar de oppervlakte. Ons weiland is bedekt met zwarte puisten. Ze vernielen de grasmat en als je gaat maaien, komen de molshopen mee in het gras voor de koeien.
Is er dan niets positiefs aan deze beestjes? Zoals altijd geldt: jawel, mits het er niet teveel zijn. Ze eten schadelijke insecten zoals engerling en emelt en zorgen voor een goede beluchting en afwatering van de grond.

Vossen eten trouwens mollen en vorige week is daar nog op gejaagd. Dat is dan weer tegenstrijdig. Ik hoorde de jagers in de nacht. Ze waren bezig met een lichtbak. De vos is daarmee gemakkelijk op te sporen, omdat zijn ogen oplichten in het kunstlicht. Normaal mag dat niet, maar de provincie geeft een ontheffing voor weidevogelgebieden, omdat we de weinige weidevogels die er nog zijn, niet willen laten opeten.

Leefden we maar in het paradijs, denk ik wel eens, daar konden de leeuw en het lam vreedzaam naast elkaar bestaan.

Als ik even later de kippen een bakje keukenafval ga brengen, let ik extra op de molshopen in de tuin. Opeens zie ik er één bewegen. Zachtjes loop ik er naar toe. Een klein snoetje komt boven de grond uit. Zijn voorpootjes lijken naar mij te zwaaien. Dan komt de hond aanrennen en weg is de mol. Gelukkig maar, denk ik.


Ben ik nu de mol?


Groentje

maandag 6 maart 2017

Paniek in de tent




De Land en Tuinbouw Organisatie (LTO) komt met een meldpunt voor koeien in paniek. Bij verschillende bedrijven zijn koeien gesignaleerd die om onverklaarbare reden overstuur zijn. Tot op heden staat men voor een raadsel.
Ook bij ons is het raak. Opeens hollen de koeien al schijtend door de stal. Maar wij weten wel waar het van komt.

‘Jouke! Bliksem! Stop!’
Mijn boer probeert boven het wild geloei van de koeien en het blaffen van Jouke uit te schreeuwen.
Jouke is gisteren gecastreerd. Het is een wonder dat hij zich zo snel kan voortbewegen en daarbij ook nog zo’n herrie kan maken. Vol overgave wijdt hij zich aan zijn dagelijkse taak: blaffend heen en weer rennen, zodat de koeien zich naar de melkstal vervoegen. Het vee is aan dit ritueel gewend. Goedmoedig sjokken ze iedere keer naar de wachtruimte, totdat het hondenbeest zich weer stil houdt.

Maar vandaag is het anders. Jouke draagt een grote plastic kraag om zijn kop, om hem te beletten aan de wond van zijn operatie te knagen. Wij lachen er om, maar voor de koeien is het een angstaanjagend beeld:  wat is dit woeste creatuur dat over hun voerpad rent?

Het grote voordeel van op een boerderij wonen, is dat je een hond kunt hebben. Mijn boer had er nog geen, dus ik zag mijn kans schoon. Het liefst wilde ik een Welsh Corgi Cardigan, want die zien er zo koddig uit. Nu is dat geen argument waar mijn boer gevoelig voor is, dus ik moest iets anders verzinnen. 
Toen ik op YouTube naar filmpjes van deze dure rashond zocht, vond ik opnames van Corgi’s die koeien aandreven. Ze bleken daar meesters in te zijn! Toen mijn boer aanschouwde hoe deze dwergherdershondjes binnen de kortste keren hele kuddes koeien de melkstal injoegen, was hij verkocht.

Zo kwam Jouke in ons leven. Eigenlijk heette hij als puppy Justin Bieber, naar het popidool van de dochter, maar voor een Friese huishouding is zo’n naam niet vol te houden. Dus al gauw noemde iedereen hem Jouke. Jouke Bliksem. Hij was zo lief als ik van een Corgi verwachtte, maar koeien aanjagen, ho maar. Behalve ’s winters voor melkerstijd, als de koeien op stal staan, want dan is het een makkie.
Of dit nu een teken van domheid is, of juist van hoge intelligentie getuigd, blijft de vraag, maar uiteindelijk is het zijn enige taak geworden. Hij neemt die wel heel serieus en geen operatie, kraag of boze baas, brengt hem daarvan af.

‘Jouke! Bliksem!’
Ik maak een snoekduik, grijp hem in zijn nekvel en sleur hem het woonhuis binnen.

Ondertussen wordt er volop gespeculeerd over de koeienpaniek elders in het land: 4G-netwerken worden genoemd als oorzaak. Of aardbevingen, aardstralen, hoogspanningsleidingen en roofvogels.
Over gecastreerde Corgi’s heb ik niks gehoord. 


Groentje

donderdag 9 februari 2017

Het witte Wonder





Ik schenk melk in de pan voor de havermout. Het ziet er ietsje lichtblauw en slierterig uit. Deze melk is van eergisteren. Toen was het nog wit en romig.
Melk is een wonderlijk product. Het liefst gebruik ik melk uit de voorkoeler. Die laat zich tot een perfect schuimkraagje kloppen voor op de koffie. Melk uit de tank is blijkbaar, wat structuur betreft, anders doordat het zo snel wordt afgekoeld.

‘Heb je nog boter nodig?’
Mijn boer is binnengekomen en zet een schoteltje eigele boter op het aanrecht.
‘Waar komt dit vandaan?’
‘Uit de melktaxi.’
‘Kun je het eten?’
‘Waarom niet. Het is schoon.’
Ik smeer wat op een stukje brood en neem een hap.
‘Lekker!’

Toen ik net op de boerderij kwam wonen, was ik opgetogen over de continue toegang tot verse melk die dat met zich meebracht. Ik kon er dan ook niet over uit, toen ik hoorde dat veel boeren hun eigen melk niet drinken.

Ik kom niet uit een boerengezin, maar mijn ouders waren er in de jaren zeventig van overtuigd, dat niets zo gezond was voor opgroeiende kinderen als verse melk. Dus ik toog als klein meisje, iedere dag met mijn emmertje, naar de boerderij. Ik klom het trapje af naar de melkput en keek gefascineerd hoe twaalf grote glazen bollen zich vulden met schuimend wit.
‘Van welke koe, wil je de melk?’ vroeg de boer dan.
Ik zocht altijd de koe uit, die in mijn ogen het mooiste en het schoonst was.

Bijkomend voordeel van deze boerenmelk was dat mijn moeder de melk iedere ochtend afroomde en er heerlijke slagroom van klopte. Dat kan ik haar helaas niet nadoen, want op onze melk vormt zich geen vetlaag. Geen idee waarom niet. Misschien heeft het te maken met het feit dat onze koeien alleen gras krijgen. Dat schijnt overigens wel heel gezond te zijn. Temeer doordat wij kruidenrijk gras hebben en de minerale samenstelling van onze melk daardoor anders is.

´Jakkes, wat is dit?’
De dochter kijkt met afgrijzen naar de boter.
‘Boter uit de melktaxi. Proberen?’
‘Echt niet!’

De kinderen zijn niet zo dol op onze melk en de yoghurt die we er van maken: ze vinden het er eng uitzien. Heel anders dan de gestandaardiseerde producten die je in de winkel koopt. In de melkfabriek worden alle vetten uit de zuivel gehaald, bewerkt en weer naar behoefte, in het product teruggebracht. Zo kan het dat halfvolle melk altijd 1,5 %vet bevat en er nooit een velletje op komt. Dat heeft natuurlijk voordelen, maar mijn boerenverstand zegt mij dat melk die gevrijwaard is gebleven van deze industriële processen, vast gezonder is. Mijn ouders wisten dat veertig jaar geleden al.

Ik vind onze melk trouwens gewoon de lekkerste.

En zo kom ik ook op mijn wens voor alle boeren: dat ze maar trots mogen wezen op hun eigen product. Want als boeren liever melk uit het schap van de supermarkt pakken, dan dat ze melk van hun eigen koeien drinken, dan is er toch iets raars aan de hand.



Groentje



dinsdag 3 januari 2017

Trekkerjongens



‘Ben je een koe- of een trekkerman?’
‘Uh.’
De negentienjarige knul tegen die tegenover ons zit, zoekt naar het meest wenselijke antwoord. Hij wil dat wij hem aannemen als allround medewerker, maar we weten allemaal dat allround wel veel gevraagd is.
‘Ik hou eigenlijk meer van trekkers,’ zegt hij dan eerlijk en zijn ogen beginnen te glimmen.

Het komt eigenlijk nooit voor dat iemand evenveel met vee als met techniek heeft. De agrarische wereld valt wat dat betreft in twee groepen uiteen. De meeste leeftijdsgenoten van onze sollicitant houden vooral van trekkers.

Wij zetten wel eens berichtjes op facebook, met plaatjes van weidevogels, zonsondergangen, of schattige kalfjes en die worden ook heus wel geliked. Maar echt viral gaan de berichten met foto’s van onze tractor of verreiker. Vooral wanneer de dochter ze bestuurt, met haar blonde haren los en in een roze topje: dan wordt het bericht eindeloos gedeeld. Meiden en trekkers, wat wil je nog meer!
Maar dat brengt me op ons trauma, als het gaat om de combinatie jongens en trekkers.

We hadden een zogenaamde Wajonger in dienst: Age. Het was een slimme jongen met een moeilijke achtergrond, maar hij was een goede chauffeur en een echte trekkerman. Hoe groter de machines hoe groter zijn enthousiasme. Hij leek beslist los vertrouwd, totdat hij met onze veertien ton giertank uit de bocht vloog en met de hele combinatie omkiepte. Gelukkig was er alleen materiele schade, maar wat moesten wij nu met hem?
We vroegen een psychiater om raad.

‘Wil je weer trekker rijden Age?’ was zijn vraag.
‘Tuurlijk,’ reageerde de jongen.
‘Ben je niet bang geworden?’
‘Helemaal niet!’
‘Nou, dat is in ieder geval positief,’ stelde de psychiater vast, ‘hij moet er zo snel mogelijk weer op.’
Mijn spreekwoordelijke klomp brak ter plekke.
‘Was hij maar bang!’ riep ik, ‘dat zou een gezonde reactie zijn.’

Age werkt gelukkig niet meer bij ons. Ik vind het doodeng, als ik van die kinderen van net zestien op de openbare weg zie rijden en ben blij dat dit in 2016 het trekkerrijbewijs verplicht is gesteld. Het zijn natuurlijk niet allemaal Ages, maar toch: ze dragen een grote verantwoordelijkheid en het is belangrijk dat ze zich dat realiseren.

Wat onze sollicitant betreft: die beschikt helaas niet over de vereiste kennis. Na zijn vertrek loop ik naar de brievenbus. Daarin vind ik een kalender van het mechanisatiebedrijf dat onze machines repareert. Een eindejaar cadeautje. Iedere maand toont een agrarisch voertuig, stoer bespat met modder, maar nog wel glanzend van nieuwigheid. De foto’s zijn van onderop genomen, zodat deze wonderen van techniek er nog vervaarlijker uitzien.

Jammer dat de trekkerjongen al weg is. Had ik hem toch nog blij kunnen maken…


Groentje