woensdag 25 oktober 2017

Wonen aan het Water




Het stortregende de hele nacht. Als ik de volgende morgen uit het raam kijk, staat ons complete weiland blank. Ik heb altijd aan het water willen wonen, maar hier word ik niet blij van.
Mijn boer is ook niet vrolijk. Als ik hem in de schuur tegenkom, ziet hij letterlijk blauw van de kou.

‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik bezorgd.
Hij staat op één been en probeert zijn waterpak uit te trekken. (Een soort plastic overall waar lieslaarzen aan vast zitten.)
‘Ik ben volgelopen,’ klappertandt hij.

Het was een hele schrik vanmorgen: zijn grazige weide veranderd in een zompig moeras. Nou hebben wij, vergeleken met andere boeren, een hoog waterpeil vanwege de weidevogels. Die stellen natte voeten zeer op prijs. Maar nu wordt het hun waarschijnlijk ook te gortig: dit landschap is alleen geschikt voor eenden en meeuwen.

Om het waterpeil te reguleren, maakte mijn boer, samen met Het Waterschap, een plan. Maar er was niet genoeg budget, om alle afvoerbuizen (die het water van de greppels naar de sloten sluizen) van regelschuiven te voorzien. Mijn boer loste dit op, door in plaats van schuiven van tweehonderdvijftig euro per stuk, emmers van anderhalve euro te plaatsen. Die duwde hij voor in de buis en de waterdruk zorgde ervoor, dat de emmer bleef zitten.

Vandaag moest het peil natuurlijk omlaag. Daarom was mijn boer, met waterpak, in de sloot gaan staan om de emmer te verwijderen. Hij boog voorover om er bij te kunnen. Vanwege de hoge waterdruk moest hij flink kracht zetten. En voor hij het wist, gutste het water over de randen van zijn pak: hij liep vol.

‘Dat voelt heel raar,’ zegt hij, nog een beetje sip: ‘en koud.’
‘Het is me wat,’ zucht ik, ‘De greppels zitten zo vol dat de sloten overlopen. Ik zie de dammen niet eens meer!’
‘Het zakt wel weer. Haal jij vanmiddag de koeien op?’

Dat wil ik wel, maar als ik dan, op mijn rubberlaarzen, door het water naar de kudde plas, vraag ik me af of de dieren nu wel snappen waar ze langs moeten.
Ze hebben extra aanmoediging nodig om in beweging te komen.
‘Heu!’ roep ik, ‘Toe maar dames! Lekker badderen!’

Gestaag klossen ze uiteindelijk richting melkstal. Dan komen we in de buurt van de dam waar we over moeten. De koeien zakken tot hun uiers in de drek.

Waar is die dam eigenlijk precies? Straks lopen ze de sloot in. Het lijken wel varkens. Melken zal vandaag lang duren: voordat die uiers schoongepoetst zijn… Volgens mij moeten ze meer naar rechts.
Maar ik heb het nog niet gedacht, of mijn rechterbeen zakt naar beneden en ijskoud water loopt mijn laars in.

‘Nee!’

En dan loopt mijn linker laars ook vol. Ik ben de sloot ingelopen en de koeien niet. 
De rest van onze tocht houd ik me maar stil. Ik loop gewoon achter de kudde aan. Soppend naar huis.



Groentje


maandag 2 oktober 2017

Hooivorken en mobieltjes



Maandag hooi bij Staatsbosbeheer. Bellen van te voren.
Verbaasd kijk ik naar mijn mobiel. Het is een bericht van een mij onbekende Jorrit. Zijn profielfoto is een groene trekker.

‘Heeft Jorrit al gereageerd?’ roept mijn boer, als hij binnenkomt en kijkt mee op mijn telefoon.
‘Hoezo?’ vraag ik bevreemd.
‘Mijn mobiel laadt niet meer op. Hij is vast kapot en daarom gaan de berichten nu via jou.’
‘O. Handig. Zou je niet naar een reparatiewinkel gaan?’
‘Die is pas om half tien open.’

Mijn boer gaat zitten. Zijn handen vruchteloos in de schoot. Hij verwacht een belangrijke telefoontje van de provincie over ganzenschade, de trekker moet gerepareerd, we hebben nog niemand voor het melken vanavond, de verzekering moet nog gebeld, enzovoort. En zonder telefoon heeft hij al die nummers niet paraat.

‘Mag ik jouw mobiel weer even, dan bel ik de winkel, misschien zijn ze eerder open.’
En inderdaad, iemand verzekert hem dat dat zo is.
Koffietijd is hij terug. Stralend zit hij te telefoneren. Naast het stopcontact, want de mobiel moet ‘aan de prik’.  Als het gesprek afgelopen is en we samen met een medewerker en de zoon achter een kopje troost zitten, doet hij verslag van zijn wederwaardigheden.

‘Ze waren niet eerder open. Er kwam pas iemand om half tien. Hij zei: U hebt geluk dat ik niet ziek ben menier. Anders was er helemaal niemand menier. Degene die u gebeld heeft, is met vakantie menier.’
En na vijf minuten had mijn boer weer buiten gestaan. Met een nieuwe telefoonoplader en een nieuw hoesje. 

Het bewijs ligt voor ons op tafel: glimmend en onberispelijk. Dat is een raar beeld, omdat we gewend zijn aan een bevlekt en verkreukeld exemplaar, dat bovendien naar kuil stinkt.

‘Maar is er ook iets gerepareerd?’ 
‘Hij heeft hem schoongemaakt. Er kwam wel een theelepel stront uit het gaatje van de oplader! Maar daar hoefde ik niet voor te betalen: "Omdat u heeft moeten wachten menier," zei die. Goeie vent.’

Boeren en mobiele telefoons. De apparaten zijn erg  handig om de organisatie rond te krijgen, op een bedrijf dat zich over hectares uitstrekt. En wie eenmaal aan die app met koe-gegevens gewend is, wil hem niet meer missen.

Aan de andere kant  zijn de elektronische dingetjes angstwekkend kwetsbaar. Smerige handen beroeren het touchscreen. De grote vingers raken met moeite de juiste, pietepeuterige tekentjes . Ze worden nat en vies, vallen in de gierput of verdwijnen ergens in het gras.

Maar toch: het iconische beeld van de boer met hooivork is verleden tijd. Als er nu een opstand uitbreekt, gooien ze met mobieltjes.


Groentje